Te wapen voor Hitler.

15/06/2017

De historiografie van de collaboratie was een delicaat onderwerp in België : na de oorlog ontstond geleidelijk de indruk  dat  vooral de Vlamingen en meer bepaald  katholieken  samenspanden  met de Duitse bezetter en  Wallonië zuiver op de graat en massaal anti-Duits was.

Van de 56.000 veroordeelde collaborateurs was inderdaad ca. 62 % Nederlandstalig. In Wallonië werden dan weer meer doodstraffen uitgesproken.

In Vlaanderen verscheen een overvloed aan boeken en sinds de jaren ’80 ook tv-series, in Wallonië en Franstalig Brussel groeiden generaties scholieren, studenten  en leraren op met het  idee  van het verraderlijke Vlaanderen en het onberispelijke Wallonië en dat hun ouders en voorouders uitblonken in het verzet.

 

Politici ( zoals Jean-Claude Van Cauwenbergh ) aarzel(d)en niet om dit te beklemtonen en de Vlamingen voor te stellen als Duitsgezind, extreem-rechts  en separatistisch.

In de “Encyclopedie van de Vlaamse Beweging”(Lannoo,1973) kreeg de collaboratie acht   kritische pagina’s, in de “Encyclopédie du Mouvement Wallon” een paar regels, tegenover 16 pagina’s voor “La résistance”. Wallonië worstelt al 40 jaar met een crisis. Het compenseert zijn  economische achterstand t.o.v. Vlaanderen op symbolische wijze door zijn onberispelijk verleden tegenover het zwarte verleden van Vlaanderen te plaatsen. De discussies onder Vlaamse historici vonden nog weinig weerklank in Wallonië en Brussel.

 

Flore Plisnier ( Mons, 1980) is de eerste Franstalige die  in samenwerking met  het SOMA  wijst op de collaboratie van haar taal- en streekgenoten in alle vormen : politieke, administratieve, economische, culturele en gewapende. Hopelijk krijgt haar boek  veel meer aandacht dan de meesterlijke studie van Martin Conway over het rexisme (1989).

 

De meeste aandacht gaat naar  de gewapende : zowel    het Waals Legioen van Léon Degrelle  in de Sovjet-Unie als gewapende groepen zoals de Garde Wallonne  en een tiental kleinere paramilitaire bendes  in Wallonië, Brussel en Noord-Frankrijk.

 

Bij de Oostfronters, zeker bij de eerste lichting, waren veel idealisten, o.a.  uit de katholieke burgerij, die wilden strijden tegen het “verderfelijke” communisme.Ze kwamen uit burgerlijke of kleinburgerlijke milieus van Brussel, Mons, Charleroi, Namen. De helft was katholiek en had een diploma.

Opmerkelijk is wel dat er ook bedrijfsleiders bij waren en uitmuntende studenten die hun studie opgaven; verder ook oud-officieren, edelen en ontgoochelde communisten (73-74).

Velen naïevelingen hoopten op een nieuw Europa o.l.v. Degrelle.

Bij de 2° en 3° lichting veranderde het profiel radicaal. Vanaf 1942 trokken  meer armoedzaaiers  naar het oosten die honger hadden of wilden ontsnappen aan het gerecht of aan de verplichte tewerkstelling. Het aandeel van het laaggeschoold en gemeen volk of  van de “basse classe” steeg. Plisnier telt voor 1943 nog 24 % idealisten en 76 % huurlingen, criminelen en marginalen. In 1944, toen de Duitse nederlaag voor velen vaststond, vond men toch nog nieuwe leden , vooral arbeiders  uit Henegouwen, Luik en Brussel.

Globaal gezien telde Wallonië minder idealisten dan Vlaanderen, dat  tot het einde van de oorlog nog  idealisten bereid vond om te gaan strijden. De leeftijd van de strijders was erg laag : 60 % was tussen 15 en 25 jaar ( 135-136).

 

De charismatische Léon Degrelle dacht in de eerste plaats aan zijn eigen prestige en aan erkenning door de Duitsers. Op 17 januari 1943  loofde hij  de Germaanse roots van de Walen en wou hij zijn land en volk doen opgaan in het Duitse rijk. Intellectuelen zoals Robert Poulet en José Streel haakten toen af. Maar   Hitler ontving hem  in eigen persoon, wat zeer uitzonderlijk was. De Führer decoreerde hem met het “Ritterkreuz” en gaf de Walen de eervolle titel “Franssprekende Germanen”.

 

De collaboratie in Wallonië was ook meer plaats- en beroepsgebonden : Mons, Charleroi, Luik, drie steden met Rexistische burgemeesters, leverden de meeste strijders. Het waren vooral socialistische arbeiders en werklozen.

Bij de politiediensten en bij de verklikkers trof men veel gemeen volk aan, met een strafblad en  met als enig doel geld verdienen. En bij de Garde Wallonne viel er ook geld te verdienen : het salaris ( 1500 BF per maand ) lag hoger dan dat van een rijkswachter of politieagent en men had vast werk in eigen streek.

Deze opportunisten en marginalen  kwamen voor 52% procent uit het arbeidersmilieu en voor 15% uit het lompenproletariaat.

Het platteland had meer voedsel en minder anonimiteit en leverde minder Oostfronters.

Het groepsportret is vervelend voor de katholieken die voor het autoritaire regime kozen en voor de socialisten die de meeste gewapende collaborateurs leverden.

 

De machtsgreep van Rex in die steden en in Brussel zorgde ook voor meer aanslagen van het verzet, waarin de communisten een belangrijke rol speelden ( weliswaar pas na de Duitse inval in de Sovjet-Unie).

 

Zowel de buitenlandse als de binnenlandse collaboratie eindigde eerloos. Het Waals Legioen bloedde dood. De binnenlandse collaboratie ontaardde in extreem gewelddadige bloedbaden, zoals dat van Courcelles, met ca. 20 doden. Het laatste oorlogsjaar kenmerkte zich in Wallonië door een bijna burgeroorlog.

 

Het boek is grotendeels chronologisch geordend. Het onderscheidt drie periodes : in de 1° periode ( tot najaar ’40 / juni ’41) was er heel  weinig verzet en berustten velen in de Duitse eindoverwinning. Het nieuwe bestuur nestelde zich in de administratie, politiek, economie en rechterlijke macht. In januari 1941 waren er stakingen in de Luikse ( en Limburgse ) mijnen, die resulteerde in 8% loonsopslag.

In de 2° periode  kampten  de mensen met  meer honger , o.a. door de Britse blokkade op zee.

De prijzen waren  de hoogte in gegaan : aardappelen x 4 in 1940, x 10 in 1941. Het rantsoen daalde van 2800 calorieën in 1939 naar 1400, de Belgen wogen gemiddeld 5 à 7 kilo lichter.

Er was ook verzet tegen de verplichte tewerkstelling in Duitsland.

De CP e.a. organiseerden het verzet met sabotage en aanslagen. De eerste moordaanslag vond plaats op 17 september 1941(61).

De 3° periode (zomer ‘43 – sept. ’44) werd gekenmerkt door een burgeroorlog tussen een steeds kleiner aantal collaborateurs en een toenemend aantal  clandestiene verzetsgroepjes, die steeds gewelddadiger optraden. Het geweld nam toe naarmate Duitsland meer nederlagen leed. De dodelijke aanslagen  van het verzet leidden in 1944 tot  een spiraal van geweld en tot contraterreur van de Nieuwe Orde. Op hun beurt beoorloogden de bendes ( van Duquesne, van Charleroi e.a. ) ongenadig de verzetsgroepen en ze martelden hun slachtoffers.

In september 1944 was ook de volksrepressie ongenadig hard.

 

 

Plisnier hanteert een nuchtere en sobere stijl, die bij  de lezer geloofwaardiger overkomen dan een emotioneel verhaal. Jammer dat ze niet werkt per geheel : eerst heel het Oostfront, dan heel het binnenlands front. Nu is alles versnipperd in kleine chronologische blokjes.

 

Het boek is voorzien van leerrijke grafieken en tabellen over wapendracht, het beroep van deze wapendragers en hun geografische herkomst.

Verder zijn er noten, een rijke bibliografie met ook Nederlandstalige boeken, een register en een flink pak foto’s. De vertaling is onberispelijk.

In het register staan helaas niet de eindeloos vele Duitse begrippen en afkortingen die overal in de tekst voorkomen. Het verwijst ook niet naar de foto’s.

Die (64  pagina’s ) foto’s moet je zelf nummeren ( 183 – 246 ) en je moet zelf uitzoeken bij welke passage ze horen.

Plisnier schrijft ( 52 )dat de Sovjettroepen verrast waren door de Duitse inval op 22 juni 1941: dat klopt niet, want Stalin was via spionage perfect op de hoogte, maar kon weinig ondernemen, omdat hij zelf zijn legerleiding voor meer dan 50% uitgemoord had.

Ze noemt Stalingrad het echte keerpunt; anderen beweren dat de tankslag bij Kursk nog doorslaggevender was.

Bij de repressie vergeet ze te vermelden dat Luikenaars zelfs tot in Limburg collaborateurs gingen doodschieten.

Ze verliest ook uit het oog dat Franstalig België in de jaren vóór de oorlog  met Rex een fascistische beweging had die in 1936  minstens evenveel uitstraling had als  haar Vlaamse evenknie (VNV ); in zetels uitgedrukt : 21 voor Rex in 1936, 16 voor VNV. In 1939 was het omgekeerd : 4 tegen 17.

Ze geeft ook de indruk dat bijna alle “goede”  Franstaligen vanaf het begin tegen de Duitsers waren en dat  bijna enkel slecht opgeleide jongens uit louche milieus collaboreerden.

Helaas laat ze geen enkele betrokkene zelf zijn verhaal vertellen.

 

In de bibliografie ontbreekt  een boek over Degrelle (1906-1994) van de Amerikaans-Franse auteur Jonathan Littell, dat hier goed bij aansluit.  Littell, winnaar van de Prix Goncourt met “Les bienveillantes”,  ontleedt in “Le sec et l’humide”( Parijs, 2007)  het bombastische, ijdele en leugenachtige taalgebruik van de aartscollaborateur die zoveel jonge mensen de dood in joeg, maar zelf ontsnapte naar Spanje.

 

Referentie :

 

Flore PLISNIER,

 

Te wapen voor Hitler.

Gewapende collaboratie in Franstalig België 1940 – 1944.

Uitgeverij Meulenhoff / Manteau, Antwerpen / A’dam, 2008.

183 p. + 64 p. foto’s; grafieken, tabellen, noten, bibliografie, register.

ISBN 978 – 90 – 8542 – 142 – 9 ; € 22,50.

 

Bewijsnummer naar :

Standaard Uitgeverij

t.a.v. Leen Lever

Mechelsesteenweg 203

2018 Antwerpen

e-mail : leen.lever@standaarduitgeverij.be

Jef Abbeel      juni – juli 2008.

Please reload

Zoeken op tags
Please reload

Archief
Categorie
Please reload