Op reis naar China – Chinezen op reis.

Sinds de Romeinse tijd waren er handelscontacten met China, maar nooit rechtstreeks : de koopwaren wisselden onderweg meermaals van eigenaar.

In de 13° eeuw kwam hier verandering in. De Mongolen zorgde voor de aanleiding. Zij waren toen de grote en gevreesde heersers. Hun imperium strekte zich gedurende korte tijd uit tot ver in Europa. Ze veroverden ook grote delen van China.

In 1240 waren ze opgerukt tot in Noordoost Italië, in 1241 versloegen ze de verenigde legers van Polen, Silezië en Moravië in Liegnitz en het Hongaarse aan de Saho. Hun bloeitijd was van 1235 tot 1259. Hun hoofdstad Karakorum lag ten zuiden van Irkoetsk. In 1267 begonnen ze met de bouw van een nieuwe hoofdstad Khanbalik op de plaats van het huidige Beijing.

Het was dan ook begrijpelijk dat paus Innocentius IV (1243-1254 ) en de Franse koning Lodewijk IX de Heilige(1226-1270) gezanten stuurden om de Mongoolse invallen te temperen, de Mongolen te bekeren en hen op te roepen tot een bondgenootschap tegen de islam.

De eerste was André van Longjumeau, dominicaan en vertrouwensman van Lodewijk IX. Hij reisde naar de Mongolen in Armenië (1247) en naar Karakorum (1249-1251). Zijn reisverhaal is enkel bekend door de verwijzingen die Willem van Rubroek ernaar maakte.

In 1246 bezochten de minderbroeders Giovanni van Pian di Carpini (nabij Perugia) en Benedictus van Polen het hof van grootkhan Koeyoek; ze keerden terug met een brief voor de paus en een kort reisverslag : Ystoria Mongalorum quos nos Tartaros appellamus. Eigenlijk waren de Tartaren een andere stam, die door de Mongolen onderworpen was.

De Vlaming Willem van Rubroek (1) , eveneens Franciscaan, was dus niet de eerste, maar zijn Itinerarium is uitvoerig en betrouwbaar. Het dorpje Rubroek, in de buurt van Kassel, was toen nog Vlaams. Rond 1685 heeft Lodewijk XIV heel de regio (met Rijsel / Lille, Roobeke / Roubaix enz. ) bij Frankrijk aangehecht.

Willem kende Diets, Frans, Latijn, Grieks. In Palestina leerde hij Arabisch en ontmoette hij Andreas van Longjumeau, die hem informeerde over de Mongolen. Willem had de kruisvaardermentaliteit van Innocentius IV en Lodewijk IX de Heilige. Hij trok naar Mongolië om het christendom te verkondigen.

De Franse koning steunde hem met een aanbevelingsbrief, waarin hij de Mongolen aanspoorde om “vijanden te worden van de vijanden van het kruis”. Sommigen interpreteerden dit als een aanbod om militair samen te werken tegen de muzelmannen. Grootkhan Mangoe ontving hem in mei 1254 en gaf hem een brief mee voor de Franse koning, met het klassieke bevel zich aan hem te onderwerpen.

In 1255 was Willem terug in Akko, waar hij in het Franciscanenklooster zijn reisverslag schreef.

In 1257 ontmoette hij in Parijs de Engelse geleerde Roger Bacon, eveneens Franciscaan. Bacon verwees in zijn Opus Maius geregeld naar het Itinerarium van Willem.

Willem was dus niet geslaagd in zijn doel, de Mongolen bekeren. Hij liet de Franse koning weten dat er geen bondgenootschap met de Mongolen zou komen.

Zijn reisverslag daarentegen was een groot succes. Eeuwen later werd het nog geprezen wegens zijn nieuwe vondsten : Willem was de eerste Westerling die schreef dat de Kaspische zee een meer was, hij vond de bronnen van de Don en de Oeral, hij beschreef Karakoroem, de Mongoolse hoofdstad die in 1380 verwoest werd en waarvan de ruïnes pas in 1877 – 1889 door Russische archeologen teruggevonden werden. Hij schetste het nomadenleven van de Mongolen, hun tenten of joerten, rechtspraak, eet- en drinkgewoonten, huwelijks- en andere rituelen. Hij wees op taalverwantschap tussen Russisch, Pools, Boheems , tussen Oeigoers en Turks, tussen Krimgotisch en Germaans.

Een toerist die het minder grondig aanpakte, maar wereldwijd bekendheid kreeg, was de Venetiaan Marco Polo(1271-1295). Zijn fantasierijk verslag “Il libro di Marco Polo detto milione” (1298) had enorme invloed op latere ontdekkingsreizigers, die geloofden dat er in China en elders in Azië veel rijkdom voor het rapen lag. Columbus bezat er een exemplaar van.

De Britse sinologe Frances Wood (3) twijfelt eraan of de Venetiaanse koopman in China is geweest. In die tijd durfden wel meer mensen, o.a. sir John Mandeville, reisverslagen van anderen kopiëren en dan zeggen dat ze zelf in China gewwest waren.

Wood geeft een aantal argumenten(p. 73-74, 99) : Marco Polo spreekt nergens over thee slurpen, eetstokjes, voetjes inbinden , vissen met behulp van aalscholvers, de Muur. Zij zegt er wel bij dat voetjes inbinden toen beperkt was tot de elite en misschien dus niet zichtbaar voor buitenlandse toeristen. De Franciscaan Odoric van Pordenone in Friuli (1320-1330) merkte het wel op, maar deze was aan het hof van de Khan ontvangen . Hij signaleert ook het vissen met aalscholvers, een praktijk die nu nog voorkomt in het binnenland van China (4). Voor de rest durft hij ook wel wat te fantaseren.

Uit het boek van Wood blijkt vooral dat heel wat westerse missionarissen naar Mongolië en China trokken, o.a. Giovanni van Montecorvino (1247-1328), die in 1291 in Peking aankwam, er in 1299 de eerste kerk bouwde, waar hij met kinderkoren liederen zong voor de Khan. Pietro van Lucalongo, alweer een Italiaan, bouwde in 1305 de tweede kerk.

De meeste auteurs aanvaarden wel dat Marco Polo in China geweest is. De grote Muur was in die tijd in verval en maakte toen weinig indruk. In de 17° eeuw werd ze heropgebouwd en uitgebreid.

De reis van Marco Polo is nu overgedaan door … ( 5 ).

Tags:

Archief
Zoeken op tags
Categorie