De Chinese Droom.

05/09/2019

(Recensie) Oscar Garschagen,

Wedergeboorte van een ongenaakbare supermacht.

(Amsterdam, 2019). ISBN 978 90 445 4159 5, 320 p., € 20.

 

Van 2007 tot 2017 was Garschagen correspondent voor de NRC in China. Hij verbleef in Shanghai, een stad van 26 miljoen inwoners, en doorkruiste het land. Hij sprak met vele Chinezen, in hun taal.

Zijn voorwoord brengt de lezer meteen in de juiste sfeer: je krijgt in 10 thematische hoofdstukken een zeer kritisch beeld, zowel van de politiek als van de economie, pers en godsdienst.

In hoofdstuk 1 bespreekt Garschagen de droom van ‘keizer’ Xi Jinping: China moet uiterlijk in 2079 de nummer 1 van de wereld zijn en eengemaakt met Taiwan. Xi zelf is rond en zacht van buiten, vierkant en keihard van binnen. Democratische hervormingen moeten we van hem niet verwachten: alle macht zal bij de CCP blijven. De implosie van de SU heeft de Chinese leiders geleerd dat de partij de macht over alles moet behouden. Xi noemt Gorbatsjov een misdadiger (p. 29-30).

De anti-corruptiecampagne van Xi gaat heel ver, tot in het buitenland: in 2017 stond de lijst met gestraften op 1,3 miljoen, evenveel als tussen 1949 en 2012 (p. 32). Bovendien pleegden vele honderden zelfmoord.

Xi beschouwt zeven westerse ideeën als “gevaarlijk en kwaadaardig”: democratie, vrije pers, vrije meningsuiting, onafhankelijk historisch onderzoek, onafhankelijke rechtspraak, mensenrechten, volledige privatisering van de economie (p. 34). Hij staat sterker dan andere dictators, omdat er een professioneel georganiseerde partij met de modernste technieken achter hem staat.

Zijn Chinese droom bevat van alles: Made in China 2025, de Nieuwe Zijderoutes, in 2049 de grootste economie van de wereld zijn zonder armoede en zonder vervuiling en met een geannexeerd Taiwan.

Tussen 1991 en 2017 zijn de jaarinkomens gestegen van $ 333 naar $ 7.330 per persoon per jaar.

Voor de meeste Chinezen bestaat de Chinese droom uit een goed betaalde job, een eigen huis of appartement, een auto, genoeg geld om betere scholen te betalen, te reizen en in het buitenland te studeren (p. 41). Kortom: de Amerikaanse droom, maar dan zonder stemrecht of inspraak.

Het systeem heet nog ‘communisme’, maar enkel de banken, telecom, olie, gas en media zijn nog van de staat en dat zal zo blijven. Die staatsbedrijven heten ‘nationale kampioenen’. Hun bazen zijn partijfunctionarissen met een rode telefoon (p. 42-43). Daarnaast zijn er 43 miljoen privébedrijven.

Xi gedraagt zich als een keizer, buitenlandse staatshoofden buigen voor hem. Maar zijn repressie van advocaten, dissidenten, Oeigoeren, de spionage, de militarisering van de Zuid-Chinese Zee en zijn plannen om Taiwan manu militari aan te hechten zullen hem geen goed doen. 81% van de 25 miljoen Taiwanezen is tegen die annexatie en ze steunen de opstandige Hongkongers (p. 44-49).

Hoofdstuk 2 gaat over economie en technologie. De auteur toont hier wat China doet om het buitenland in te halen: stelen van intellectuele eigendom, 8.000 Chinese topwetenschappers terughalen uit Amerika en andere landen. Maar in de Chinese wetenschap zit nog veel corruptie en plagiaat, de VSA lopen nog ver voorop, het aantal Chinese Nobelprijswinnaars is voorlopig beperkt.  Maar ze halen snel in: ze hebben nu al de grootste ruimtetelescoop (30 voetbalvelden groot) en de snelste supercomputers en dit zonder buitenlandse hulp. Ze zijn ook wereldleider in online bankieren en in e-commerce (p. 63-64). Maar als Trump aan Microsoft, Intel en Nvidia de levering van chips en software verbiedt, zitten ZTE, Xiaomi, Lenovo en Huawei in grote problemen. In geavanceerde chips is China zeker nog geen leider. Miljoenen banen in de Chinese technologie, vliegtuigindustrie, auto-industrie en computers hangen af van Amerika, Taiwan en Zuid-Korea  (p. 69-70). Garschagen somt enkele  redenen op waarom China het Westen niet zal inhalen: de censuur, de controle op de uitwisseling van ideeën, het blokkeren van buitenlandse websites, het gebrek aan wetenschappelijk onderzoek en de wens om snel geld te verdienen (p. 71-72). Ik weet niet of hij gelijk zal hebben. Pascal Coppens denkt daar heel anders over in zijn ‘China’s New Normal’. Dat boek ontbreekt hier helaas.

De stijgende rivaliteit tussen Amerika en China is een feit, maar de 1.500 Amerikaanse bedrijven in China stellen het wel (alleszins tot de handelsoorlog van augustus 2019, n.v.d.r.) en zorgen volgens de auteur ook voor meer werkgelegenheid in Amerika (p. 76). Die handelsoorlog kan ook ontsporen en gevolgen hebben voor de 350.000 Chinese studenten in Amerika en de 72.000 Amerikanen in China.

China dwingen om democratisch te worden zoals Taiwan, zal zeker niet lukken (p. 81-82).

In hfst. 3 stelt de auteur de vraag of de Nieuwe Zijderoutes via spoor, wegen, pijpleidingen en havens een cadeau zijn aan de wereld of aan China zelf. Het is alleszins een indrukwekkend project, dat arme landen welvarender zal maken. Volgens Garschagen is het ‘Gordel- en Weginitiatief’ geen samenhangend plan en komt er veel improvisatie  aan te pas. En niets is gratis: zelfs de panda’s kosten 1 miljoen $ per jaar (p. 97). En de jonge panda’s die hier geboren worden, moeten na 4 jaar naar China gebracht worden. En de leningen kosten 4% rente, terwijl de E.U. en de Wereldbank lenen aan 1,5%! Arme landen zitten daardoor nu al in de problemen. Hij vertelt niet dat China geregeld schulden kwijtscheldt.  Bovendien zijn de Zijderoutes niet enkel bedoeld voor economie: de Chinezen zullen de havens ook gebruiken voor militaire doelen en zich verzetten tegen de liberale wereldorde. De E.U. heeft daar geen antwoord op. China beschouwt de E.U. als een ideaal wingewest, een rijk afzetgebied, geen assertieve natiestaat. De E.U. verhindert fusies van grote bedrijven zoals Siemens en Alstom en speelt zo in de kaart van China. De E.U. staat open voor alle Chinese topbedrijven, maar China weert Europese toppers zoals Nokia en Ericsson, aldus de auteur. Maar dat klopt niet : Nokia en Ericsson stellen het wel in China en hebben allebei grote 5G-contracten met Chinese telecombedrijven.

Portugal, Griekenland, Hongarije, Servië en Italië hebben al de kant van China gekozen, Hongarije en Griekenland kozen zelfs de kant van China bij de veroordeling om zijn mensenrechtenbeleid en om de militarisering van de Zuid-Chinese Zee. Er is een warme relatie tussen Nederland/Mark Rutte en China/Li Keqiang. Maar ook in Nederland groeit er wantrouwen. Toch zegt Garschagen dat Nederland moet  meedoen met de Zijderoute.

De grote beloftes van China resulteren soms in kleine daden: een investering van 10 miljard $ in Midden-Europa kan in de praktijk ook 0,75 miljard zijn (p. 104). De beloofde investeringen in België vielen telkens ook een stuk lager uit. In 2019 zijn al 76 havens in 35 landen in Chinees bezit, o.a. Zeebrugge( p. 111). Zeebrugge hoopt nu even snel te groeien als Piraeus, d.w.z. met 300% in 6 jaar. Nu is Piraeus al een concurrent voor Rotterdam, met dank aan … Nederland en Duitsland, die de Grieken gedwongen hebben hun haven te verkopen (p. 112). Rotterdam is nog wel de belangrijkste Europese haven voor China, maar al de minder grote havens pakken met Chinese hulp een deel trafiek af (p. 115-116). Er rijden ook goederentreinen van Amsterdam naar Yiwu (nabij Shanghai): ze zijn er op 16 à 20 dagen, terwijl de schepen die goedkoper zijn, er 30 à 50 dagen over doen. Er is ook een plan om via een tunnel onder de Beringstraat goederentreinen van China naar Canada en de VSA te laten rijden en een autosnelweg aan te leggen van China naar Europa.

Hfst. 4 gaat over de vervanging van het Maoïsme door het kapitalisme of ‘communisme met Chinese eigenschappen’, waardoor iedereen rijk moet worden, maar in feite is er veel nieuwe rijkdom naast veel oude armoede. De CCP behoudt de macht, de bedrijven mogen kapitalistisch zijn, maar met communistische, volgzame leiders. De bewondering voor Mao blijft officieel overeind, maar boeren vertellen dat na de afschaffing van de communes de productie meteen verviervoudigde (p. 129-130). Nu zijn er veebedrijven met 40.000 koeien en agrarische hightechparken waar genen worden gemanipuleerd en varkens gekloond. China telt nu 4.500 dollarmiljardairs en 1,6 miljoen miljonairs (cijfers van 2017, p. 132). Ik heb al andere, veel lagere cijfers gezien: 476 à 700 miljardairs.

Ze geven weinig aan goede doelen: 5 miljard t.o. 300 miljard van Bill Gates, Warren Buffett e.a. in de VSA. Chinezen zorgen vooral voor hun eigen families en vrienden, niet voor onbekenden. En filantropie is in China niet fiscaal aftrekbaar.

Hfst. 5 gaat over de consumptiemaatschappij: shoppen, reizen, genieten. Sinds 2000 steeg de import van wijn met 26.000%, op braspartijen drinkt men peperdure flessen van 20.000 $ om te tonen dat men het gemaakt heeft (p. 141). In restaurants in het zuiden worden nog ‘gele honden’ en katten gegeten, maar de dierenbescherming krijgt meer invloed. Miljoenen hondeneigenaars geven 900 euro per jaar uit voor hun diertje. 15 van de 286 miljoen Chinezen met een psychische aandoening gaan naar de psycholoog of psychiater, ook een nieuw statussymbool (p. 145-146). Beide studies ‘voor losers’ bestaan in China pas sinds 2002 en worden beschouwd als het laagste van het laagste (p. 150). Vreemd dan dat mensen er toch naartoe gaan als statussymbool. ‘Die Traumdeutung’ van Freud is een bestseller in de steden, maar op het platteland is er nog geen opvang voor geesteszieken. Het aantal zelfmoorden is sinds 1991 wel gehalveerd van 52 naar 23 per 100.000 inwoners: een beter cijfer dus dan in de VSA en in Europa (p. 151).

De seksuele revolutie is ook losgebroken: seksshops en sekssites hebben veel succes. Voorlichting thuis en op school is nog een ouderwets taboe. Overspel is de hoofdoorzaak van de sterke stijging van echtscheidingen: van 1 op 5 huwelijken in 2008 naar 1 op 3 in 2017 (p. 158). Jongemannen vinden moeilijk een vrouw: door de éénkindpolitiek zijn er maar 87 meisjes voor 110 jongens en die meisjes stellen hoge financiële eisen (p. 159). Trouwen is een sociale plicht. Een huwelijk kan een jaarsalaris van 10.000 €  kosten, los van de rode enveloppen voor de schoonfamilie. Enkel aan huizen en auto’s wordt nog meer geld uitgegeven dan de 175 miljard € aan huwelijken in 2019 (p. 161).

Ook aan cosmetica en plastische chirurgie worden fortuinen besteed, vooral door jonge vrouwen: om beter werk te vinden en met de mannen te kunnen concurreren, willen ze mooier en groter worden. In vele advertenties vraagt men ook nu nog enkel naar mannen. Ook jongens willen een rechte neus en grotere ogen of hun overgewicht kwijtraken in de afslank-klinieken. 43 miljoen jongens en 46 miljoen meisjes hebben overgewicht door te veel te snoepen, te veel te eten bij KFC of McDonald’s en door niet te bewegen. Dat zijn er dus evenveel als partijleden. Detail: tijdens onze lange reis in 2018 hebben wij geen enkele dikke jongen of meisje gezien.

Garschagen vertelt ook over tatoeages, dure mode (sinds 30 jaar mogen de Chinezen dragen wat ze willen), de grote koopjesdag op 11 november: dan wordt er voor 31 miljard $ online gekocht, vooral bij Jack Ma’s Alibaba (p. 173).

Hfst. 6 gaat over de armoede. 500 miljoen laagopgeleiden, boeren en zieken leven van 5 $ per dag, 82 miljoen moeten het stellen met 1 $ per dag, terwijl ze 30 $ per dag nodig hebben en in de grote steden zelfs 100.

De gezondheidszorg is voor hen te duur, hun verzekering dekt maar de helft van de kosten. Sommige geneesmiddelen kosten 5.000 € of 5 jaarlonen van eenvoudige mensen. Vervuild grondwater, vervuilde lucht en vervuilde voeding veroorzaken een explosie van kankers, vooral long- en slokdarmkankers. Sommige artsen werken 20 uur per dag voor 10.000 € per jaar (p. 183).

Patiënten moeten een half jaar wachten doordat een arts tijd heeft voor hen, tenzij ze een dikke rode enveloppe kunnen bovenhalen( p. 186). Er zijn provincies van 65 miljoen inwoners met slechts één gespecialiseerd ziekenhuis voor kankerpatiënten. En dan is daar nog een groot tekort aan oncologen en hematologen. Huisartsen zijn er bijna geen.

In de privéziekenhuizen daarentegen kunnen specialisten miljoenen verdienen.

Dan zijn er nog de discriminaties van arbeidsmigranten. Ze krijgen geen verblijfsvergunning, geen lening, geen verzekering, ze kunnen geen huis kopen, ze krijgen geen sociale uitkeringen, geen onderwijs, medische voorzieningen. In Shanghai zijn ze met 9 miljoen. Ook in de andere steden is 9 op 10 van de arbeiders een migrant die uitgebuit wordt. In totaal zijn ze met 260 miljoen. 83% van hun kinderen stoppen vroegtijdig met de school: op hun 15. Aan al die 260 miljoen arbeiders dezelfde rechten geven zou 300 miljard kosten (p. 191). Hopelijk bedoelt de auteur dan: eenmalig, niet jaarlijks. Gewone Chinezen zien alleszins miljarden naar het buitenland gaan, terwijl er voor hen te weinig geld is.

Een ander pijnlijk probleem is de diefstal van kinderen om ze te verkopen. Het zou gaan om 70.000 per jaar (p. 194) ! Zowel de slachtoffers als de dieven zijn arm. Betrapte dieven worden geëxecuteerd, maar de kopers krijgen een veel te lichte straf. De prijzen zijn laag: 1.500 à 3.500 voor een jongen, 500 à 1.250 voor een meisje. Van die 70.000 vindt de politie er maar 2.000 terug (p. 195). De vele betogingen tegen kinderdiefstal helpen niet.

1% van de rijken bezit 33% en 55% van de armen heeft slechts 1% (p. 198). Maar van een opstand is geen sprake: iedereen is bang voor chaos.

Hfst. 7 gaat over nachtmerries. Zo zijn er ex-Rode Gardisten die nu spijt hebben van hun misdaden tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976). De partij veroordeelde de C.R.  in 1981, maar verbiedt de geschiedschrijving daarover. Erger nog: universiteiten, bibliotheken, etc.  … moesten vanaf 2013 hun archieven ‘zuiveren’ van belastende informatie. Boeken over Rode Gardisten zijn verboden. De meeste Chinezen jonger dan 60 weten niets over de tientallen miljoenen doden tijdens Mao. Op school leert men er niets over en Chinese journalisten willen er niet over schrijven. Het aantal doden tijdens de C.R. was officieel 1,7 miljoen, in feite misschien wel 8 miljoen (p. 211). Dit zijn wel de hoogste cijfers die ik ooit gelezen heb: meestal gaat het over 0,5 à 2 miljoen. Tientallen miljoenen ‘stinkende intellectuelen’ en ‘kapitalistische honden’ werden vernederd en gebroken.

De Japanse bezetting en hun wreedheden worden wel aangeleerd, zowel op school als in eindeloos veel films, net zoals de misdrijven van de Europeanen tijdens de ‘Eeuw van de Vernedering’ (1839-1939). De auteur laat hier een vroegere seksslavin aan het woord. Zo waren er 200.000 in China en nog eens 200.000 in andere Japanse gebieden. Ze hebben nu een armenpensioen van 30 € per maand.

Mao herstelde de relaties met Japan, want zonder de Japanse inval had hij China niet kunnen veroveren (p. 224-225). In 1982 bracht Deng een bezoek aan Japan. Hij was zeer onder de indruk en haalde Japanse bedrijven naar China. Japan speelde de grootste rol bij de industrialisatie van China.

Hfst. 8 gaat over de godsdiensten en vooral over de zeer succesvolle huiskerken. Ze zijn onwettig en de CCP houdt ze streng in het oog, hoewel de grondwet de vrijheid van godsdienst erkent.

Op de staatsseminaries leidt de overheid de enige erkende dominees en priesters op. Garschagen had erbij mogen zeggen dat de staat ook hun studies betaalt en nadien hun maandlonen. Het protestantisme is de snelst groeiende godsdienst, vooral in de niet-erkende huiskerken. De overheid schat het aantal protestanten op 38 miljoen, de katholieken op 8 miljoen, maar Yang Fenggang zegt in zijn ‘Atlas of Religion in China’ dat er 10 à 12 miljoen katholieken zijn en bijna 90 miljoen protestanten (p. 231). Dat is dus evenveel als partijleden. Bij die protestanten zijn veel kinderen en tieners. En hij voorspelt dat China het grootste christelijk land ter wereld zal worden, ondanks de weerstand van Xi en de overheden, die geregeld katholieke en protestantse kerken laten slopen en de online verkoop van bijbels verbieden sinds 2018 (p. 241). Een bekende dominee, Wang Yi, is aangehouden, wellicht voor jaren, omdat hij zich verzette tegen de cultus van ‘tiran’ Xi Jinping.

Meer welvaart leidt in China dus niet tot minder, maar tot veel meer geloof.

De partij reageert krampachtig door strengere regels uit te vaardigen: elke activiteit moet vooraf gemeld worden, de verkoop van bijbels is zo goed als verboden, er zijn beperkingen op het godsdienstonderricht aan kinderen en tieners, in Chinese vertalingen van klassieke werken zoals de sprookjes van H.C. Andersen of in de roman  ‘Robinson Crusoe’ van Daniel Defoe worden zinnen met God of hemel gewijzigd zodat deze woorden er niet meer in staan. Tegenover de katholieken is Xi het strengst: het Vaticaan is een buitenlandse organisatie en de enige Europese staat die Taiwan erkent. De 350.000 katholieken in Taiwan vrezen nu al dat Rome hen zal laten vallen, in ruil voor het akkoord tussen Beijing en het Vaticaan over de katholieke bisschoppen.

Hfst. 9 gaat over de perfecte digitale politiestaat waarin China en zeker Xinjiang in snel tempo is veranderd. In Xinjiang wonen nu meer Han-Chinezen dan Oeigoeren: 12 tegen 11 miljoen. De laatste 30 jaar zijn minstens 350 aanslagen gepleegd met 2.000 doden, van wie 1.500 Oeigoerse terroristen. De Chinese repressie is ongenadig hard en zeer technisch, tot en met de inzameling van de biometrische en genetische gegevens van alle inwoners en, wat Garschagen niet vermeldt,  een gps van Beidou op alle Oeigoerse voertuigen, zodat ze overal gevolgd kunnen worden en stilvallen bij het naderen van een Chinese stad. ‘Onveilige’ Oeigoeren mogen hun stad of dorp niet meer uit en worden opgesloten in ‘indoctrinatiekampen’. Waarschijnlijk zitten er nu 0,5 à 0,8 miljoen Oeigoeren in zulke kampen en 3 miljoen zijn er al ‘heropgevoed’. De oorlog tegen het terrorisme is wel een succes, want sinds 2015 zijn er geen aanslagen meer gepleegd. De buurlanden Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan nemen de Chinese aanpak over. Turkije heeft als enig moslimland China opgeroepen om een einde te maken aan de martelingen.

De auteur ergert zich ook aan camera’s die voetgangers met foto, naam en tijdstip registreren als ze door het rood licht stappen. De grote technologische bedrijven Baidu, Alibaba en Tencent werken samen met de partij en de politie. Buitenlandse bedrijven moeten Chinese servers gebruiken en hun computergegevens bezorgen aan de staat. Het Chinees heeft geen woord voor privacy. Yinsi komt in de buurt en betekent: een beschamend iets geheimhouden. De overheid mag onbeperkt spioneren en heeft nu een ‘Hemels Net’ van 176 miljoen camera’s; in 2020 moeten dat er 500 miljoen zijn. Bovendien zijn er de ‘Scherpe Ogen’ van de Drakenvrouwen.

Dan is er nog het Sociaal Kredietsysteem: iedereen krijgt 1.000 punten. Je verliest er 600 bij dronkenschap aan het stuur, bij bedrog, vervalsing, corruptie, wanbetaling. Je kunt ze terugwinnen door liefdadigheid en vrijwilligerswerk. Doel is een eerlijker China, zonder vervuild voedsel, valse medicamenten etc. Garschagen twijfelt of het zal lukken. Sinoloog Rogier Creemers is fel voorstander: China heeft geen agentschap voor controle van voedsel of geneesmiddelen. De meeste Chinezen keuren het goed en voelen zich veel vrijer dan tijdens Mao (p. 274-275).

In het slothoofdstuk lezen we dat alle buitenlandse journalisten afgeluisterd worden: overal worden ze gevolgd en de volgers geven zelfs toe dat ze van de politie zijn. Bij elke groep toeristen is trouwens altijd een Chinees om alles in het oog te houden. De auteur beweert ook dat alle cijfers over hoge groei, lage werkloosheid en misdaad onbetrouwbaar zijn. De overheid wil enkel positieve verslagen en zeker geen kritiek van buitenlanders. Ze besteedt jaarlijks 6,6 miljard $ aan positieve reclame in het buitenland om de opinie over China te beïnvloeden, o.a. via China Daily Global Weekly.

De kritische South China Morning Post is in 2015 op vraag van de partij opgekocht door Jack Ma om geen kritiek meer te uiten op China. Elk jaar mogen 100 Aziatische en Afrikaanse journalisten gratis naar Beijing komen om een positief verhaal over China te vertellen. Alle documentaires worden gemaakt onder strenge Chinese controle, die veel gelijkt op intimidatie. Chinezen die te veel durven vertellen aan buitenlandse journalisten, worden opgepakt. Honderden zitten zo in de cel, enkel wegens hun interview met een buitenlander.

Garschagen eindigt met de vraag: Waarom is het machtige China zo bang van buitenlandse media? Vrezen ze dat Chinezen hun ontevredenheid vertellen? Of kunnen ze niet tegen kritiek (p. 297)?

Respect voor de successen van China wisselt bij hem af met weerzin tegen de autoritaire eenpartijstaat. Een dubbel gevoel dus.

Beoordeling

Garschagen heeft een degelijk en bijzonder kritisch portret gemaakt van China-in-permanente-verandering en van zijn leider Xi Jinping. Hij verwacht geen liberalisering of democratisering, integendeel. Hij bekijkt China door een westerse bril, maar dat doe ik ook. Soms is hij zo kritisch dat ik me afvraag of hij nog in China binnen zal mogen. Hij verwijst ook vaak naar andere boeken en degelijke nieuwsbrieven: hij beperkt zich dus niet tot zijn eigen ervaringen ter plaatse van 2007 tot 2017. Bij de vermelding van die andere bronnen, mis ik de juiste referenties en ook de Nederlandse vertalingen: voor Frankopan en Dikötter bestaan die alleszins. Ik mis ook verklaringen waarom China al decennia zo geweldig groeit.

De ondertitel ‘wedergeboorte van een ongenaakbare supermacht’ had hij of de uitgever beter weggelaten: nergens wordt aangetoond dat China vroeger al een supermacht was. En volgens mij zijn daar ook geen bewijzen voor.

Soms staat er een slordigheid of detailfout in: op p. 21 lezen we dat Xi in 1969 naar het platteland werd gestuurd, op p. 22 is dat 1968. Op p. 69 staat: ‘is klant’, terwijl er vier onderwerpen zijn. Zeevaarder Zheng He leefde rond 1420: dat is de 15de eeuw, niet de 14de (p. 88). Op p. 111 staat dat alle Volvo’s via Zeebrugge naar Europa komen. Ze komen ook via het spoor en via het spoor reizen er ook van Gent naar China. Dat spoor groeit dus wel, Garschagen zegt dat het op 2% blijft hangen (p. 118). Op p. 189 en 199 staat dat er 8 miljoen arbeidsmigranten in Shanghai werken, op p. 191 zijn dat er 9,3 miljoen. Op p. 198 beweert de auteur dat de Japanse bezetting heel China betrof: eigenlijk was het enkel de oostkust en vooral het noordoosten.  Op p. 230 spreekt hij over opium voor het volk, maar Marx zei: das Opium des Volkes, dus van het volk. Volgens de auteur stagneert het katholicisme, maar ik heb de indruk dat het nog groeit en op kerkelijke feestdagen zitten de kerken bomvol. De kaartjes op p. 6 en p. 84-85 zijn veel te beperkt: je neemt best een atlas erbij als je het boek leest en Sichuan en andere plaatsen wil weten liggen. Zelfs Tibet, Xinjiang, Hongkong en Taiwan staan er niet met hun naam op.  Op p. 252 heeft Xinjiang 25 miljoen inwoners, op p. 258 nog maar 20 miljoen.

Een index of lijst met weerkerende begrippen zou welkom zijn: dan hoeft de lezer niet te onthouden wat baijiu, bamboeplafond, Document Nr. 9 , Drakenvrouwen, hukou, mianzi, yinsi  etc. betekenen.

Los hiervan is het  goed geschreven en pittige lectuur over het leven van de gemiddelde Chinees.

 

 

© Jef Abbeel     augustus 2019               www.jefabbeel.be

 

 

 

 

 

Please reload

Zoeken op tags
Please reload

Archief
Categorie
Please reload