De Russische Klus De geheime Amerikaanse reddingsoperatie bij de Russische hongersnood

Douglas Smith

Van 1921 tot 1923 heerste er in de Sovjet-Unie een massale hongersnood, die aan 6 miljoen mensen het leven kostte. Lenin droeg een groot deel van de schuld door zijn ideologisch geïnspireerde onderdrukking van de boerenbevolking. De droogte maakte de situatie nog hopelozer. Het boek begint met aangrijpende verhalen over kannibalisme door uitgehongerde mensen, die zelfs hun eigen kinderen opaten. Zulke verhalen komen verder in het boek nog geregeld terug. Om zijn regime te laten overleven, deed Lenin een beroep op de kapitalistische vijand, Amerika. Herbert Hoover, die tijdens de oorlog ook al een hulpactie voor België en Noord-Frankrijk had opgezet, mocht ook nu de operatie leiden. Daarvoor werd de ARA opgericht: de American Relief Administration, die twee jaar lang meer dan tien miljoen mensen voedde, verspreid over 1 miljoen km² in het huidige Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland, vooral in de regio van de Wolga en de Oeral. Rusland had al sinds 1880 de traditie om de boeren uit te buiten. Om de industrialisering te betalen, moesten ze steeds meer graan afstaan voor de export. In 1891 was er ook al een mislukte oogst en Amerikaanse hulp om de hongersnood te lenigen. Lenin juichte de honger toen toe: zo zou de bevolking het geloof in God en in de tsaar verliezen. Revolutie was de oplossing, niet liefdadigheid (p. 20-21). In februari 1917 leidde een nieuwe voedselcrisis tot revolutie en het einde van de 300 jaar oude Romanov-dynastie. In november 1917 grepen de bolsjewieken de macht. Vanaf april 1918 gingen ze over tot gewelddadige confiscatie van graan en een kruistocht tegen de ‘achterlijke boeren’. Lenin beval de koelakken in het openbaar op te hangen, zodat de mensen het kilometers ver konden zien en zouden beven. Hij liet hun namen publiceren en al hun graan afpakken. Boeren moesten zich uitkleden en naakt laten geselen (p. 23). Het graanquotum werd steeds verhoogd: van 288 miljoen kilo in 1918 naar 443 miljoen in 1920 (p. 24). De boeren kwamen in 1921 in opstand, net zoals de matrozen in Kronstadt, maar beide opstanden werden bloedig neergeslagen, die van de boeren door Toechatsjevski met gifgas en concentratiekampen (p. 26). De hongersnood van 1921 dreigde 36 miljoen Russen te doden. Patriarch Tifon en schrijver Gorki informeerden het Westen. Hoover was tegen de ‘moorddadige tirannie van Lenin’, maar had medelijden met de hongerlijders. Op 20 augustus 1921 werd in Riga een verdrag ondertekend tussen de ARA en de zeer wantrouwige Sovjetleiders, die vreesden dat de Amerikanen hun regime omver wilden werpen. Maar de ARA hield zich buiten de politiek en de Sovjets hielden zich vaak niet aan het verdrag. Moskou zag er in 1921 vreselijk uit: bomkraters, vuilnis van meerdere jaren, dichtgetimmerde winkels vol spinnen, angst voor de dood op de wanhopige gezichten (p. 61). In de Wolga-regio was het nog veel erger: daar aten ze eikels en gras, tierden tbc, scheurbuik, tyfus, cholera, dysenterie. Foto’s van kinderen doen aan Auschwitz denken (p. 67 en 70). Vrouwen beweerden dat ze het veel beter hadden tijdens de tsaren. Ongeveer 380 Amerikaanse blanke mannen werkten in Rusland. Ze vonden het werk te gevaarlijk voor vrouwen en joden. Eén zwarte vrouw werkte er als wasvrouw. De geografische uitgestrektheid van de hongersnood was enorm: 1.300 km van noord naar zuid, 550 van west naar oost. De treinen die het voedsel vervoerden, haalden maximum 15 km per uur, als ze al konden rijden, want soms waren ze geblokkeerd door de sneeuw of waren de sporen zwaar beschadigd. Een telegram van de Oeral naar Moskou deed er twee weken over. Een paar Amerikanen leidden soms gebieden die 7 keer zo groot als België of 6 keer zo groot als Nederland waren. De emotionele spanning was hoog, want ze zagen veel lijken, uitgehongerde kinderen en stervende moeders die hun kinderen verstikten om hun lijden te beëindigen. In een district van de provincie Samara was de bevolking in twee jaar tijd gedaald van 491.000 naar 179.000 (p. 176). De Amerikanen deden ook onderzoek naar kannibalisme en ze maakten in Samara foto’s van kannibalen en van hun lichamen of lijken. Een arts gaf als oorzaak de gruwelijke honger en de ontmenselijking door de jarenlange ellende (p.172-173). De uitgehongerden beschouwden het opeten van lijken ook niet als een misdaad. Sommige Amerikanen werden depressief en moesten terug naar huis om te genezen.

2 Lenin was voorstander van Amerikaanse hulp, maar er was hevig verzet van Stalin, Zinovjev en Boecharin. En vooral veel tegenwerking van de geheime dienst (Tsjeka, daarna GPOe), die zowel de Amerikanen als hun duizenden Russische medewerkers het leven zuur maakte, de graanbelasting op de boeren bleef verhogen en hen zwaar mishandelde (p. 147-148). Op 23 februari 1922 onteigende Lenin het bezit van de orthodoxe kerk. Hij liet vuurpelotons los op de mensen die de kerk verdedigden. 8.000 mensen kwamen hierbij om en 1.200 geestelijken werden terechtgesteld na een showproces, het eerste in de Russische geschiedenis. Deze roofcampagne leverde twaalf ton goud, zilver, diamanten en andere edelstenen op (p.149). Op de conferentie van Genua/Rapallo in april 1922 vroeg Lenin via minister van buitenlandse zaken Georgi Tsjitsjerin tevergeefs naar Westerse investeringen en technische hulp. De Sovjet-Unie (Tsjitsjerin) en Duitsland (Walther Rathenau) sloten wel een geheim akkoord: Duitsland mocht zich ten oosten van Moskou herbewapenen in ruil voor technische hulp. De ARA zorgde, behalve voor maïs en andere levensmiddelen, ook kleding en schoenen, voor abonnementen op wetenschappelijke en medische tijdschriften, voor massale vaccinaties tegen cholera, tyfus, pokken, malaria, difterie en tetanus, voor de aanleg van moestuinen en filtersystemen voor drinkwater (p. 213-217). De auteur beschrijft ook hoe honger het lichaam en de geest stap voor stap afmaakt en hoe de staat van de rieten daken die fases aangaf (p. 192-193). De Russische roebel was in 1922 heel weinig waard: voor 1 dollar had men … 3,6 miljoen roebel! Dat was ook de prijs van een geroosterde kip (p. 229-234). Bijna 1 op 10 van de Amerikanen werd verliefd op een Russin en trouwde ook met haar. In november 1922 besefte Lenin hoe slecht zijn land ervoor stond en vroeg aan Hoover om naar Rusland te komen en de wederopbouw te leiden, maar deze reageerde er niet op. De ARA wou enkel de hongersnood wegwerken (p. 260-261). In mei en december 1922 kreeg Lenin een beroerte, in het voorjaar van 1923 opnieuw. Hij kon niet meer spreken en was deels verlamd. Op 21 januari 1924 overleed hij, wellicht door aderverkalking in de hersenen, maar er waren ook geruchten dat syfilis de doodsoorzaak was (p. 274). Daarvoor werd hij behandeld met arsenicum. In februari 1923 exporteerde de Sovjet-Unie minstens 400.000 ton graan naar Europa, terwijl nog 8 miljoen mensen honger leden. In maart 1923 werd dan ook nog een katholieke bisschop ter dood veroordeeld wegens zijn protest tegen het afpakken van kerkelijk bezit. Gevolg: de Sovjets werden internationaal afgekeurd, ook door Hoover (p. 282-283). Op 13 juni 1923 kwam in Riga het laatste schip met Amerikaans voedsel aan: de opdracht liep ten einde. Op 20 juli 1923 vertrokken de laatste Amerikanen. De hongersnood had aan 6 miljoen mensen het leven gekost, maar zonder Amerikaanse hulp zouden het er minstens 10 miljoen zijn geweest (p. 293). De Amerikaanse hulp had ook het regime van Lenin gered van de ondergang (p. 294). De ex-ARA-medewerkers hadden nog jaren heimwee naar Rusland en naar Russische vrouwen. Elk jaar hielden ze een reünie in New-York, minstens tot 1965. In Rusland voelden ze zich belangrijk, in Amerika waren ze niets bijzonders (p. 297-298). Kort na hun vertrek werden in Rusland mensen gearresteerd, die voor de ARA hadden gewerkt. Dat ging door tijdens de Grote Terreur(met als slachtoffers o.a. Kamenev, Radek, Eiduk, Kameneva) en tot in de Koude Oorlog (p. 307). In de Grote Sovjet Encyclopedie van 1950 en in een handboek geschiedenis van 1962 werd de ARA voorgesteld als een apparaat voor spionage en contrarevolutie. Chroesjtsjov beweerde in 1959 in Amerika dat de burgeroorlog en de hongersnood een gevolg waren geweest van de Amerikaanse interventie (p. 307-308). Tussen 1923 en 1933 (diplomatieke betrekkingen) werd de handel van Amerikaanse bedrijven met de Sovjet-Unie ruim 20 keer zo groot (p. 302-303). De hulpactie had dan toch iets opgeleverd. Het is vreemd dat Armand Hammer, de belangrijkste tussenpersoon, hier niet vernoemd wordt. Stalin kon met Amerikaans kapitaal razendsnel industrialiseren en de landbouw verder collectiviseren, d.w.z. de boeren uitroeien of naar Siberië deporteren (p. 303-304). Dit leidde tot een tweede grote hongersnood, waarbij tussen 1931 en 1934 opnieuw meer dan 5 miljoen mensen stierven, vooral in Oekraïne. Stalin was hiervan perfect op de hoogte en vroeg geen buitenlandse hulp. Hoover werd in 1927 wel aangeduid als verantwoordelijke voor een groot hulpprogramma toen de Mississippi overstroomde. De zwarte Amerikanen kwamen helaas niet in aanmerking voor deze hulp (p. 305)!

3 In 1928 werd Hoover president, maar hij faalde compleet bij de aanpak van de economische crisis van 1929 e.v. In 1932 werd hij niet herkozen. Hij overleed in 1964. Tijdens WO II bezorgde Roosevelt met zijn Lend-Lease-act (1941-1945) voor 12 miljard $ materiaal en voedsel aan de Sovjet-Unie, waardoor volgens maarschalk Zjoekov de Russen de oorlog tegen de Duitsers konden winnen (p. 309). Tussen 1992 en 2007 kreeg Rusland nog eens 28 miljard $, deels in de vorm van Amerikaanse en ook wat Europese voedselhulp. Daar was een oorzaak voor: in 1993 leed 70% honger, in 1999 leefde 50% onder de armoedegrens (p. 309). Toen Jeltsin aftrad op 31 december 1999, had hij dus redenen om zich te verontschuldigen. Het boek eindigt met een verwijzing naar de voornaamste bronnen in Amerika en in Rusland, een lange literatuurlijst en een fotoverantwoording. Het geeft een duidelijk beeld van de Russische hongersnood in 1921-1923, de Amerikaanse hulp, de dankbaarheid van de gewone mensen, het verzwijgen en zelfs actief uitwissen door de onverschillige overheden. De lezer krijgt afwisselend gruwelijke feiten en mooie belevenissen van ARA-mannen, die bevriend werden met Russen, verliefd op Russinnen en met heimwee naar de Russische cultuur en samenleving terugkeerden naar Amerika. Enkele opmerkingen: op p. 11 staat een kaart, maar een hoop plaatsnamen staan er niet op; je moet dus een atlas bij de hand houden om Tambov, Syzran etc. terug te vinden. Er staan ook spel- en drukfouten in: p. 37: riekte moet rook zijn; p. 50: joellie i.p.v. jullie; p. 79: Arabat i.p.v. Arbat; p. 95: linsjerie i.p.v. lingerie; p. 146: tijd i.p.v. een tijd; p. 292: beiden landen i.p.v. beide; p. 297: een pijnlijk dood i.p.v. pijnlijke; p. 306: stief i.p.v. stierf. Lenin weigerde niet enkel de Amerikaanse schulden terug te betalen (p. 38): ook die van Engeland, Nederland, België, Frankrijk,… werden nooit terugbetaald. Het aantal inwoners van Hongarije, Jordanië, Zweden bedroeg in 1922 geen 10 (p. 219) maar 3 miljoen. De auteur veronderstelt dat de lezer de volgende begrippen kent: samowardiplomatie (p. 263, theepot-diplomatie?), tooloop (p. 277, een dikke winterjas), 1-op-25 rijden (p. 277, zeer zuinig rijden, maar dat lijkt me onmogelijk met de Cadillacs van 1921 op de slechte Russische wegen), lebeda (p. 278, melde, een plant), spam (p. 309, hier in de betekenis van varkensvlees in blik). Los van deze details is het een boeiend boek over een onderwerp dat weinig bekend is. Hopelijk volgt er een vertaling in het Russisch. ISBN 978 90 003 6040 6 Paperback, 328 pagina’s, 23 x 15 cm, € 27,99 Uitgeverij Spectrum, Lannoo, 7 november 2019 Vertaling van ‘The Russian Job’ door Jan Sietsma

© Jef Abbeel www.jefabbeel.be februari 2020

Archief
Zoeken op tags
Categorie