Broederstrijd in Korea. Het oneindige conflict tussen Noord en Zuid.


Sheila Miyoshi Jager


Hoewel de Koude Oorlog in Europa al 30 jaar voorbij is, lijkt hij in Korea eindeloos te duren.

Dit boek verscheen al in 2013. Vandaar dat de schrijfster(°1963), professor Oost-Aziatische studies en

ex-lief van Barack Obama, een voorwoord toevoegt aan de Nederlandse vertaling. Daarin vat ze de

gebeurtenissen van 2013 tot 2019 kort samen. Maar de fameuze ontmoeting van de twee Koreaanse

leiders met Trump in 2019 staat enkel vermeld op de kaft van het boek.

Dat heeft twee grote thema’s: de oorlog en de strijd om het legitieme regime te zijn. Ik zou er nog

een derde aan toevoegen: de verschillen tussen het arme Noorden en het welvarende Zuiden.

Al in de late 19 de eeuw hadden China, Japan, Rusland en de VSA interesse voor Korea. Japan

annexeerde het in 1910, maar werd in 1945 verslagen en Korea werd in twee gedeeld door de

Sovjet-Unie en de VSA. De Russen installeerden een communistische regering in het Noorden, de

Amerikanen een conservatieve in het Zuiden. Elk regime wou het land herenigen onder zijn

heerschappij.

De Russische bezetters bezondigden zich aanvankelijk aan plunderingen en verkrachtingen en namen

hele staal- en textielfabrieken weg. Ze kregen medewerking van vele Koreaanse communisten, die al

decennia in de SU woonden en ook Russisch spraken. Eén van hen was Kim Il Sung, toen 33 jaar.

De Noord-Koreanen waren niet blij met hem en met de bezetters. Gevolg: tussen december 1945 en

juli 1947 vluchtten er bijna 2 miljoen naar het Zuiden, waar ze voor voedselproblemen zorgden (p.

43). De Amerikanen hadden ook problemen in hun zone: de bevolking was boos, vooral omdat

Japanse ambtenaren daar in dienst mochten blijven bij gebrek aan geschoolde Koreanen(p. 45-47).

De Zuid-Koreanen hadden in 1945 maar één wens: dat de Amerikanen (en de Japanse ambtenaren)

zo snel mogelijk het land verlieten en dat zij onafhankelijk werden (p. 52-57). In 1946-1948 volgden

er vele stakingen en klopjachten op Koreanen die met de VSA samenwerkten. De Amerikanen

onderdrukten die stakingen met harde hand: enkele tienduizenden ‘opstandelingen’ werden gedood.

Het contrast met het zeer gedisciplineerde Noorden was groot.

In augustus 1948 werd in het Zuiden de Republiek Korea opgericht, in september 1948 in het

Noorden de Democratische Volksrepubliek Korea (p. 68-70).

In maart-april 1949 trok Kim Il Sung naar Stalin om hulp te vragen. Die kreeg in december 1949-

februari 1950 ook bezoek van Mao. Ze maakten ruzie, maar ze sloten uiteindelijk een verdrag.

Op 25 juni 1950 viel Noord-Korea met de steun van Stalin (en vanaf oktober ook van Mao) binnen in

het Zuiden om het land met geweld te herenigen en communistisch te maken. De hoofdstad Seoel,

die maar 40 km van de grens ligt, werd snel veroverd.

Op 27 juni gaf de Veiligheidsraad van de VN toestemming om de agressie te stoppen.

Zuid-Korea kreeg de steun van de VSA en van troepen uit 16 andere westerse landen. De Amerikanen

dachten dat de Noord-Koreanen meteen op de vlucht zouden slaan, maar het omgekeerde gebeurde:

de Amerikanen sloegen op de vlucht (p. 93-96). In juli-september 1950 keerden de kansen en

bedelde Kim Il Sung bij Stalin om militaire adviseurs. MacArthur bevrijdde Seoel op 25 september. De

vluchtende Noord-Koreanen doodden duizenden krijgsgevangenen, vrouwen en kinderen op wrede

wijze. De Amerikanen vergeleken hen met de Mongoolse hordes uit de 13 de eeuw. Ook de Zuid-

Koreanen gedroegen zich wreed. Minstens 100.000 Zuid-Koreanen werden gedood als vermeende

communisten (p. 114-117). De Westerse pers vermeldde enkel de wreedheden van de noorderlingen

en verzweeg die van de zuiderlingen. Voor menig lezer zal dit dus nieuwe informatie zijn (p. 120).

De oproep van de VN had veel succes: 48 van de 59 leden boden hulp aan (p. 121). België zond 3.500

soldaten, Nederland 5.300. De VSA stuurden er 2 miljoen, van wie er 36.574 sneuvelden en 103.284

gewond raakten (p. 550-551). Er waren taal- en andere problemen. Zo wilden de Turkse soldaten niet

gezamenlijk douchen en geen varkensvlees eten. De motieven om soldaten te sturen waren

collectieve veiligheid en anticommunisme, soms ook in de gunst staan van het machtige Amerika. De


2

VN kregen de geloofwaardigheid die de Volkenbond miste door zich in 1931 niet te verzetten tegen

de Japanse inval in Mantsjoerije (p. 132-136).

Einde september werden de agressors dus teruggeslagen. MacArthur kreeg dan de instructie om de

38 ste breedtegraad over te steken om het Noord-Koreaanse leger te vernietigen, op voorwaarde dat

er geen Sovjet- of Chinees leger kwam meevechten. Op vraag van Kim Il Sung overtuigde Stalin dan

Mao om in te grijpen. Vanaf 19 oktober 1950 staken dan 200.000 en in november 400.000 Chinese

soldaten de Yalu-rivier over. De Amerikanen dachten dat ze slechts met 16.000 à 34.000 waren en

dat de oorlog voor Kerstmis voorbij zou zijn. Het VN-leger werd door de Chinezen verpletterd.

MacArthur gaf openlijk de schuld aan de beperkingen die Truman opgelegd had. Die was woedend.

Honderdduizenden Noord-Koreanen vluchtten naar het Zuiden omdat de Amerikanen hun steden en

dorpen verwoestten en uit angst voor communistische vergelding.

De Chinezen heroverden Seoel op 4 januari 1951, maar ze waren uitgehongerd en uitgeput. In

februari 1951 lanceerde het VN-leger een tegenoffensief, eerst met duizenden Amerikaanse en

Nederlandse doden, dan met tienduizenden Chinese doden. In maart 1951 viel Seoel voor de vierde

keer in 9 maanden in andere handen. In april 1951 werd de populaire MacArthur ontslagen door

Truman, omdat hij de oorlog wou uitbreiden op Chinees grondgebied. Als MacArthur zijn zin had

gekregen, had hij heel Korea veroverd en eengemaakt en dan was Noord-Korea wellicht nu ook

welvarend in plaats van uitgehongerd. In mei-juni konden de Amerikanen het Chinese leger verslaan,

maar Truman verzette zich daartegen.

In juli 1951 begonnen in Kaesong, in het zuiden van Noord-Korea, de onderhandelingen over

wapenstilstand. De communisten, die aan het verliezen waren, stelden het voor alsof de Amerikanen

om vrede kwamen smeken. President Rhee was tegen die onderhandelingen en voor een oorlog tot

de overwinning en de hereniging. De onderhandelingen verliepen zeer moeizaam. Ondertussen

werden de gevangenen van de Noord-Koreanen, onder wie heel wat oude missionarissen, zo

onmenselijk behandeld, dat twee op drie stierven, meestal door uithongering. Ze moesten overleven

op … 150 maïskorrels per dag (p. 244-264)! Ze werden ook zwaar geïndoctrineerd om communist te

worden. Tot 2006 ontsnapten er nog krijgsgevangenen uit Noord-Korea, na 50 jaar dwangarbeid in

een kolenmijn. Pas dan vernamen ze dat de oorlog al 50 jaar voorbij was (p. 268-269).

In 1953 werden er 3.198 Amerikanen en 7.142 Zuid-Koreanen gerepatrieerd. Deze laatsten werden

vervolgens door hun eigen regering opgesloten op een verlaten eiland om ze te controleren op hun

politieke zuiverheid. Velen pleegden daar zelfmoord. Als vergoeding voor drie jaar

krijgsgevangenschap kregen ze een paar dollars.

56.202 Zuid-Koreanen hadden nog meer pech: zij werden niet gerepatrieerd en moesten in Noord-

Korea blijven als dwangarbeider of soldaat (p. 269-271).

Ondertussen was Noord-Korea grotendeels verwoest door de Amerikaanse napalmbrandbommen.

Die bombardementen dienden om de communisten tot onderhandelen te dwingen. Ze vernietigden

de spoorwegen en 40% van de voorraden van het Chinese leger. De Chinezen moesten ondergronds

gaan: ze bouwden 1.250 km tunnels en vele grotten om voedsel op te slaan. Ze beweerden ook dat

de Amerikanen biologische wapens hadden ingezet. Een commissie o.l.v. China-vriend Joseph

Needham bevestigde dit, zonder het te onderzoeken. In 1998 bleek uit Sovjet-documenten van 1953

dat het pure verzinsels waren (p. 282-295).

In maart 1953 waren de communisten eindelijk bereid tot wapenstilstand. Volgens de auteur was dit

niet uit angst voor atoomwapens, maar door de dood van Stalin. Hij hield namelijk alles tegen, maar

zijn opvolgers wilden de oorlog beëindigen (p. 314-317). In juli 1953 was het eindelijk zover. De

delegaties wisselden geen groet en geen afscheidswoord. Vrede kwam er nooit: in Korea leeft de

Koude Oorlog nog verder.

Noord-Korea verloor 1,13 miljoen mensen of 1 op 9. China verloor een half miljoen soldaten, maar

vergrootte zijn nationale trots en zijn aanzien doordat het de Amerikanen had tegengehouden. Op de

Conferentie van Genève over Korea en Vietnam in 1954 gaven de Chinezen de toon aan. Dulles

weigerde daar een hand te geven aan premier Zhou Enlai. Ho Chi Minh moest van de Chinezen de

17 de breedtegraad aanvaarden als tijdelijke scheidingslijn (p. 349-351).


3

Ondanks de 36.574 doden en 103.284 gewonden en de frustraties in Korea, mengden de Amerikanen

en Zuid-Koreanen zich in de jaren ’60 toch in de Vietnamoorlog. Ze vreesden dat China en de Sovjet-

Unie het communisme verder wilden verspreiden, ondanks hun breuk na de vernederingen van

Chroesjtsjov door Mao.

In 1963 stuurde Kennedy 16.000 Amerikaanse militairen, Johnson verhoogde dat getal tot 536.000 in

1968 (p. 376-383). Zuid-Korea stuurde 50.000 militairen. De Amerikaanse militaire top was voor

terugtrekking wegens de onstabiele situatie in Zuid-Vietnam: in 1964-65 waren er negen

regeringswisselingen en de Vietcong was er sterker dan de regering (p.378-386).

Voor de Amerikanen werd het weer een afgang, voor Zuid-Korea het begin van zijn economische

bloei.

In 1961 was Park Chung Hee aan de macht gekomen in Zuid-Korea door een staatsgreep tegen het

corrupte regime. Toen was het BNP van Noord-Korea nog het dubbele van het zuiden: 160 $ p.p.p.j.

tegenover 80 $ (p. 387-391). Onder zijn bewind (1962-1979) evolueerde Zuid-Korea van zeer arm

naar zeer welvarend. Dit leidde tot jaloezie en in 1968 tot nieuwe provocaties van Noord-Korea.

Vanaf 1953 voerde Kim Il Sung ‘zuiveringen’ door in Noord-Korea: eerst werden tientallen

medewerkers geëxecuteerd, in 1958-59 bijna 100.000 en in 1967 opnieuw een ongekend aantal.

In 1955 lanceerde hij zijn leidende filosofie: chuch’e of zelfbeschikking. De invloed van de SU en van

China werd op vele manieren ongedaan gemaakt (p. 411-416). Maar het land bleef tot nu toe

afhankelijk, eerst van Russische, nu van Chinese leningen, die niet terugbetaald worden. Vanaf 1962

opteerde Kim weer voor een militaire aanpak om Zuid-Korea ook communistisch te maken: het

legerbudget steeg van 4% in 1961 naar 31% in 1967-1969. In 1969 pleegden commando’s een

mislukte moordaanslag op president Park en kaapte men de USS Pueblo, een Amerikaans

verkenningsschip (p. 401-405, 436). De 83 bemanningsleden werden bijna een jaar vastgehouden en

geïndoctrineerd, het schip werd nooit teruggegeven: het is nu een toeristische attractie in Pyongyang

(p. 436).

In 1971-72 zorgden Nixon en Kissinger voor toenadering tot China, waardoor Zuid-Korea zich

verraden voelde en besefte dat het grotendeels op eigen kracht verder moest. Dat besef werd nog

versterkt door provocaties van Noord-Korea in 1976 en door president Carter, die de Amerikaanse

troepen wou weghalen, iets wat … China en de SU niet wensten (p. 444-472).

In de jaren ’80 leefde bij contesterende studenten in Zuid-Korea de wens op hereniging en op het

vertrek van de Amerikanen, maar de economische instorting van het noorden, mede door de

implosie van hun geldschieter, de SU, en de nucleaire ambities maakten een einde aan hun naïeve

illusies. Ze bereikten wel dat hun land eindelijk een democratie werd in 1987. En in 1988

organiseerde het succesvolle Olympische Spelen (p. 477-484).

In 1994 stierf Kim Il Sung, in 2011 zijn opvolger Kim Jong Il. Hij werd opgevolgd door Kim Jong-un.

Dikwijls leek het land in te storten, maar dat gebeurde niet. Van 1995 tot 1998 kampte het wel met

een afschuwelijke hongersnood, waarbij 600.000 à 1 miljoen doden vielen (p. 507-513). De

internationale voedselhulp kwam helaas niet terecht bij de uitgehongerden, maar bij corrupte

functionarissen en het leger. 37% van de bevolking wist niet eens dat er hulp bestond (p. 517). In

2008 had het land opnieuw voedselhulp nodig.

In 2000 bracht president Kim Dae-Jung een bezoek aan partijleider Kim Jong Il. Hij kreeg er de

Nobelprijs voor de vrede voor. Maar dat bedrag was een peulschil vergeleken met de 500 miljoen $

die betaald was aan Kim Jong Il om naar de ontmoeting te komen!

Terloops lezen we hier ook dat het illegaal van alles uitvoert: raketten, drugs, bedreigde diersoorten,

namaakproducten (p. 518). 150.000 à 200.000 mensen zitten in strafwerkkampen, waar ze honger

lijden, gemarteld en gedood worden (p. 518-524). De Chinese invloed op Noord-Korea neemt sterk

toe, tot ongerustheid van Zuid-Korea. Ondanks zijn ruime voedselhulp aan het noorden, maakte het

in 2010 nog mee dat de noorderlingen een marineschip tot zinken brachten. China verhinderde in de

Veiligheidsraad dat zijn bondgenoot als schuldige werd aangewezen (p. 542-543).

Het boek is helaas al afgesloten in december 2012.


4

Het eindigt met een degelijk overzicht van de strijdkrachten in de Koreaanse Oorlog, de doden en de

gewonden per land (p. 550-552), 105 pagina’s noten (p. 556-661) en een uitgebreid register (p. 662-

688).

Beoordeling

De schrijfster is bijzonder goed op de hoogte van de geschiedenis, geografie, cultuur en mentaliteit

van de Koreanen, de oorlog en de conflicten nadien. Ze heeft de moeite gedaan om ook vele minder

bekende bronnen uit de SU en het Oostblok te raadplegen. Ze toont ook duidelijk de spanningen die

er waren tussen Truman en MacArthur, tussen Amerikanen en Britten, tussen Amerikanen en Zuid-

Koreanen, tussen Mao en Stalin-Chroesjtsjov-Brezjnev. Er staat ook veel in over de Koreaanse cultuur

en literatuur, een aspect dat we niet terugvinden in de boeken van Westerse schrijvers. De schrijfster

heeft trouwens een aantal jaren in Seoel gewoond. Het militaire aspect van de oorlog krijgt iets te

veel aandacht en enkel militairen snappen de kaartjes die erbij staan. Een chronologisch lijstje met

de leiders van Noord-Korea en de vele van Zuid-Korea ontbreekt.

Ik vond maar twee drukfoutjes: p. 160: ‘wilde’ moet wilden zijn; p. 515: ‘1991’ klopt niet: de auteur

schrijft: de wereld werd zich pas in 1991 bewust van de hongersnood van 1994-1998, dus voordat die

er was. Maar dat zijn details.

Uitgeverij Omniboek, Utrecht/VBK, Antwerpen, juni 2020 / ISBN 978-94-019-1667-7 /

Vertaling van ‘Brothers at War’ door Roelof Posthuma/

Foto’s, tabellen, noten, register; 39,99 euro

©Jef Abbeel november 2020 www.jefabbeel.be

Archief
Zoeken op tags
Categorie