top of page

De eeuw van Afrika. Het continent van de toekomst: over jonge dromen, nieuwe kansen en belangrijke uitdagingen.

  • Jef Abbeel
  • 20 apr
  • 10 minuten om te lezen

Stijn Vercruysse


De auteur is VRT-journalist en geëngageerd Afrika-deskundige. Terwijl velen, net als ik,

denken dat de 21 ste eeuw de eeuw van China zal worden, mikt hij op Afrika, wat meteen zijn

optimisme toont.

Hij begint met de Trans-Atlantische slavenhandel en komt daar op terug op p. 59. Hoewel de

islamitische slavenhandel richting Azië veel langer duurde (650-begin 20ste eeuw) en nog twee

miljoen mensen méér transporteerde, 14 miljoen tegenover 12 miljoen, slaagt hij erin deze als

minder erg voor te stellen. Onze schoolboeken zijn daarin even eenzijdig.

Zijn eerste argument om te spreken van de eeuw van Afrika is de demografische groei. Hij ziet

de bevolking onder de Sahara verdubbelen tot 3 miljard in 50 jaar en beschouwt dit als een

voordeel i.p.v. een risico. In 1960 woonden er ten zuiden van de Sahara 228 miljoen mensen,

nu 1,3 miljard, dus zesmaal meer! 38% is jonger dan 15 jaar! In 2100 zal 1 op 3 wereldburgers

Afrikaan zijn, vijfmaal zoveel als de Europeanen. Hij legt ook uit waarom Afrikaanse gezinnen

veel kinderen wensen: zij werken mee op het land en zorgen later voor hun ouders van wie

slechts 20% een pensioen zal hebben. Die 20% lijkt me nog hoog. Bovendien is de kindersterfte

hoog, maar die vermindert snel: van 17,7% in 1990 tot 7,1% in 2023. In de EU is dat 0,4%. Het

geboortecijfer volgde enigszins: van 6,3 naar 4,1(p. 35). Het uithuwelijken van zeer jonge

meisjes is wel een probleem: die volgen dan geen onderwijs meer.

De armoede is overal in de wereld gedaald, behalve in Afrika: daar leven 90% van de

allerarmsten (p. 50). Zuid-Soedan is koploper, ondanks zijn enorme oliereserves. De kwaliteit

van het onderwijs is vaak ondermaats: de overheid spendeert er te weinig geld aan, deels

omdat ze ook te weinig belastingen binnenkrijgt. De meeste Afrikanen werken namelijk

‘informeel’ en de rijken ontwijken de belastingen. Eén van de oorzaken is volgens de auteur de

Trans-Atlantische slavenhandel, die volgens hem de Industriële Revolutie in Engeland en

Europa mogelijk maakte (p. 63), een theorie die ik hier voor het eerst lees. In ons land begon

die nl. al rond 1800, hoewel we nooit deelnamen aan die handel. Bij zijn verslag van de

rubbercampagne in Congo spreekt hij nog over het achterhaalde getal van “5 miljoen doden, de

helft van de bevolking” (p. 64-69), hoewel die campagne slechts in een klein deel van Congo

plaatsvond en er vele doodsoorzaken waren. Hier toont hij zich meer activist dan journalist.

Gelukkig geeft hij wel toe dat de blijvende armoede van het potentieel zeer rijke Congo en

Nigeria ook veroorzaakt wordt door hun leiders, die de rijkdom voor zich houden. En gelukkig

zijn er ook landen zoals Botswana, Ethiopië, Kenia en Ghana die wel vooruitgang maken.

De arbeidsmarkt in Afrika bestaat voor 85% uit ‘informele economie’, zwart werk dus. Slechts

6,7% is totaal werkloos. Elk jaar zouden er 15 à 24 miljoen jobs moeten bijkomen om in 2035

aan iedere jongere werk te bezorgen (p. 81-85). Afrika voert voor 65 miljard dollar per jaar

voedsel in, terwijl 60% van de mondiale landbouwgrond ongebruikt in Afrika ligt.

Een bedrijf oprichten is heel moeilijk: banken verstrekken niet graag leningen. En de overheid

zorgt niet of heel traag voor elektriciteit, internet, goede wegen etc. Gelukkig zijn de Afrikanen

inventief en vinden ze van alles om te overleven.

Afrika wordt het meest getroffen door hongersnoden. Hij noemt de Ethiopische van 1984-1985

en de Somalische van 2011, maar vergeet die van Biafra (Nigeria) met 1 miljoen doden in

1968. De oorzaak lag bij de politieke leiders en voor Somalië ook bij de terreurgroep Al-

Shabaab, niet bij een graantekort. Eén op vier Afrikanen heeft niet elke dag iets om te eten en

20,4% , 300 miljoen, zijn chronisch ondervoed. Afrika blijft het continent van de honger, die van

moeder op kind doorgegeven wordt. Door een gebrek aan jodium bij de moeder, worden de

kinderen geboren met een laag IQ (p. 112-138).

De landbouw is goed voor 30% van de Afrikaanse economie. 50% is boer of boerin en nog

eens 20% is actief in de landbouwproductie. Toch importeert Afrika jaarlijks voor 65 miljard

dollar aan voedsel! De productiviteit is vergelijkbaar met Europa in de Middeleeuwen (p. 147-

155).


2

Congo importeert drie vierde van zijn voedsel, terwijl het 80 miljoen hectare vruchtbare

landbouwgrond bezit. 60% daarvan wordt er niet voor gebruikt. Zoals gewoonlijk wijst de auteur

de kolonisatie aan als eerste oorzaak, hoewel die al 66 jaar voorbij is (p. 149-152). Een

belangrijkere oorzaak is het gebrek aan investeringen in irrigatie en het feit dat het aantal

tractoren nog hetzelfde is als in 1960, met dit verschil dat de meeste nu werkloos staan te

wachten op onderdelen (p.155-158). De 700 miljoen boeren kunnen hun oogst enkel verkopen

in hun eigen omgeving door gebrek aan wegen en aan koelwagens. 25% wordt verwoest door

knaagdieren of door slechte opslag. En als er al een degelijke weg is zoals de Central Corridor

in Tanzania, dan staan er om de 10 km corrupte politieagenten die je moet omkopen (p. 159).

Kunstmest is te duur en wordt dus te weinig gebruikt. En door de klimaatverandering warmt de

Sahel te snel op en zal er te weinig regen zijn, waardoor de landbouwopbrengst zal dalen met

2% (p. 163).

Door de afwezigheid van elektriciteit, kookt men op hout of houtskool, waarvoor miljoenen

bomen gekapt worden, waardoor de kale gronden toenemen. Met agro-ecologie zou er meer

voedsel geproduceerd worden. Men bouwt nu een 8.000 km lange en 15 km brede muur van

bomen om de woestijn tegen te houden, maar de bouw verloopt zo traag dat het meer dan 100

jaar kan duren voordat die groene muur er helemaal staat (p. 168-169).

Een delicaat onderwerp is migratie. Nogal wat, maar lang niet alle Afrikaanse jongeren willen

naar Europa, dus naar de voormalige kolonisatoren, niet naar Rusland of China. Vercruysse

verklaart het verschil tussen migranten en vluchtelingen, praat met smokkelaars en beweert dat

de dure migratie-deals de toevloed niet doen afnemen. Hij beweert dat meer welvaart tot meer

migratie leidt en dat daarom de volgende halve eeuw het tijdperk van de Afrikaanse migratie

wordt. Nadelen zoals criminaliteit, aanslagen, overvolle gevangenissen, neergang van ons

onderwijs ziet hij niet.

Hij pleit voor blijvende ontwikkelingshulp: die zorgt voor meer vaccinaties, minder kindersterfte,

meer scholieren. Helaas zijn er ook landen zoals Zuid-Soedan, dat ondanks 8 miljard dollar hulp

geen enkele vooruitgang maakte: 91% is daar extreem arm, 80% is analfabeet, het BNP is

gehalveerd sinds de onafhankelijkheid. Het geld wordt uitgegeven uit aan onbekwame

ambtenaren, 800 generaals en 250.000 militairen (p. 213-224).

Nu de Amerikaanse hulp is weggevallen, beseffen Afrikaanse landen dat ze zelf meer

belastingen moeten innen en dat duurzame ontwikkeling van binnenuit moet komen.

De industriële productie in Afrika is beperkt tot 2% van de wereld: nergens zijn zo weinig

fabrieken. Grondstoffen zoals olie en katoen worden nu geëxporteerd en keren terug als

benzine en kledij. Oorzaken zijn de lage kwaliteit van het onderwijs (die de schrijver ook

aantoont) en van de infrastructuur en het gebrek aan een grote afzetmarkt. Hij zegt er niet bij

waarom de Chinezen het katoen liever in China verwerken dan in het goedkopere Afrika, waar

mensen 12 u per dag in textielfabrieken werken voor 30 à 60 euro per maand (p. 247-249).

Geschoolde arbeiders vinden is moeilijk door de slechte onderwijskwaliteit. De Afrikaanse

Vrijhandelszone AfCTA, opgericht in 2018, zou de onderlinge handel moeten stimuleren, maar

er zijn nog altijd invoerheffingen, dus nog geen vrijhandel (p. 252-259).

Een voordeel voor Afrika is wel de aanwezigheid van veel ‘groene’ grondstoffen zoals kobalt en

lithium en van het meeste potentieel aan zonne- en windenergie. Congo bezit 48% van de

kobaltreserves en 13% van de waterkracht. Nu hebben 600 miljoen Afrikanen, bijna de helft

dus, geen elektriciteit, ondanks dat potentieel. Een andere troef is het Congolese regenwoud,

de grootste groene long van de wereld.

China is alomtegenwoordig, domineert de mijnbouw, bouwt de meeste infrastructuur. Meer dan

10.000 Chinese bedrijven zijn actief in Afrika. Het geeft geen geld, het leent het uit.

Terugbetalen is vaak een probleem. De auteur heeft veel lof voor de Chinezen.

Op p. 275 zegt hij dat China de mijnbouw domineert, op p. 283 dat het slechts 8% van de

mijnbouwproductie in handen heeft en pas vijfde staat na de VS, Australië, Canada en het VK.

De strategische grondstoffen koper en kobalt heeft China alleszins in handen en het is als land

de belangrijkste handelspartner. De EU als blok komt aan een nog groter getal: 350 tegenover

300 miljard (p. 287).


3

China vergroot ook zijn militaire aanwezigheid, soms samen met Rusland. Ze steunen dictators

die hun eigen burgers afmaken. Hopelijk gaan ze ooit Al Qaeda, IS, Boko Haram en Al Shabaab

bestrijden.

De EU probeert met zijn ‘Global Gateway’ te antwoorden op de Nieuwe Zijderoute. Maar Afrika

houdt niet van de Europese voorwaarden omtrent mensenrechten en milieu.

Na de EU, China en de VS zijn de VAE/Verenigde Arabische Emiraten de belangrijkste

investeerders in Afrika. De havenbedrijven van Dubai en Abu Dhabi beheren meer dan tien

Afrikaanse havens. Helaas investeren ze ook in oorlogen en zijn er ruim 26.000 Afrikaanse

bedrijven geregistreerd in Dubai om in eigen land geen belastingen te moeten betalen. En rijke

Afrikanen kopen er onroerend goed.

De Afrikaanse leiders tonen op klimaatconferenties en elders hun herwonnen zelfvertrouwen.

Ook in de Oekraïne-oorlog, waar ze de kant van Rusland kozen. Nogal wat Afrikanen, o.a.

duizend Kenianen, zijn mee gaan vechten, maar zijn grotendeels gesneuveld (DM, 14.04.26).

Oorlogen veroorzaken armoede en ellende in 15 van de 44 landen. Vercruysse geeft het

voorbeeld van Abiy Ahmed Ali, premier van Ethiopië, Nobelprijswinnaar van de vrede in 2019,

die in november 2020 binnenviel in Tigray en er een etnische zuivering hield. In 2 jaar tijd vielen

er 250.000 à 600.000 doden. Die oorlogen krijgen te weinig media-aandacht. Oost-Congo hoort

daar al 30 jaar bij. Rebellen en Rwandezen roven er de streek leeg. Vercruysse wijst opnieuw

naar de kolonisatie als één van de oorzaken (p. 317), maar vergeet dat er tijdens de kolonisatie

geen oorlog was en Rwanda geen grondstoffen kwam stelen in Congo. Idem voor de

stammenoorlogen in Kenia in 2007 en 2008.

Mali, Burkina Faso, Niger, Somalië worden al jaren zwaar getroffen door islamitische terroristen.

Al-Shabaab krijgt zelfs drones en raketten van de Houthi’s in Jemen. En IS heeft nu zijn

hoofdzetel in Puntland (Noord-Oost-Somalië). In Nigeria ontvoeren Boko Haram en IS

duizenden kinderen, in Mozambique en Zuidelijk-Afrika zijn de jihadisten ook actief. Nergens

slaagt de VN-vredesmacht van 46.000 soldaten er nog in de bevolking te beschermen. De

enige oplossing is dat de regeringen met de jihadisten gaan praten zoals de katholieke en

protestantse kerk in Congo deden met de rebellen. Maar de Congolese regering en de

internationale gemeenschap negeren dat kerkelijk initiatief.

Afrika blijft het continent met de meeste oorlogen (uiteraard weer “door de koloniale tijd”), maar

in het grootste deel heerst er vrede, aldus de optimistische auteur (p.330-335).

Het laatste hoofdstuk handelt over goed bestuur. De ongebreidelde corruptie is de grootste

hindernis en de oorzaak van 140 miljard dollar verlies per jaar. Hoe armer het land, hoe meer

corruptie, met Zuid-Soedan op kop. In Kinshasa verdienen politieagenten en hun oversten veel

geld met pseudo-snelheidscontroles, zelfs als auto’s stil staan in de eindeloze files (p. 339-346).

Gelukkig zijn er volgens Vercruysse ook voorbeelden van goed bestuur zoals Oeganda,

Ivoorkust, Tanzania, Rwanda, Botswana. Of Museveni, dictator -voor-het-leven bij goed bestuur

hoort, betwijfel ik. En Rwanda dankt zijn welvaart aan de diefstal van mineralen uit Oost-

Congo, waar het de rebellen steunt die er moorden en verkrachten.

In 2019 waren er meer democratieën, maar door negen militaire staatsgrepen zijn er nu meer

dictaturen. Ook zij werken de corruptie, armoede, terreur niet weg, ze sturen de Fransen naar

huis en ze krijgen steun van o.a. Rusland, dat in Mali een bloedbad aanrichtte op ongeveer

hetzelfde moment als in Boetsja (maart 2022, p. 348-355).

Positief is wel dat jongeren met gevaar voor eigen leven in Kenia, Tanzania, Gambia, Oeganda,

Nigeria en Congo de straat op gaan tegen de wantoestanden (p. 360-364).

De schrijver blijft positief tot het einde. Hij ziet vooral vooruitgang en potentieel, veerkracht en

creativiteit. We hopen dat hij gelijk zal krijgen.

Beoordeling

Vercruysse slaagt er perfect in de officiële statistieken te toetsen aan en te combineren met zijn

eigen ervaringen in diverse Afrikaanse landen. Zijn boek is helder gestructureerd, met in elk

hoofdstuk verwijzingen naar andere hoofdstukken waar een onderwerp uitgebreider aan bod

komt.

Het is een zeer leerrijk boek van een enthousiaste man, dat we zeker kunnen aanbevelen. Bij

een groot publiek is de interesse voor Afrika niet groot genoeg, mede omdat het nieuws uit

Afrika bij de meeste tv-zenders geen prioriteit is. In dit boek kun je lezen hoe het dagelijks leven


4

in Afrika eruit ziet, hoe Afrikanen overleven. Ik heb heel wat feitenkennis opgedaan, maar me

wel geërgerd aan de eenzijdige interpretatie als zouden bijna alle problemen het gevolg zijn van

de kolonisatie, die al 66 jaar voorbij is.

In 1960 stond Afrika er beter voor dan China, dat langer gekoloniseerd is: van 1839 tot 1945.

Mao maakte het dan nog wat erger met zijn verwoestende Grote Sprong Achterwaarts en zijn

Anti-Culturele Revolutie, maar na 1978 is het er bovenop gekomen en grotendeels op eigen

kracht en zonder honderden miljarden ontwikkelingshulp nummer twee van de wereld

geworden.

Een paar opmerkingen: Vercruysse schrijft dat Afrika het snelst groeit. Globaal gezien is dat

juist, maar bij de 15 snelst groeiende landen staan er (slechts) 8 uit Afrika (Visual Capitalist,

06.04.26).

Qua staatsgrepen en militaire dictaturen staat Afrika wel bovenaan. De zogenaamde

vrijheidsstrijders van de jaren 60 werden nadien dictator voor het leven, met het argument van

kapitein Ibrahim Traore in Burkina Faso: democratie is niet geschikt voor ons land (Athera,

06.04.26).

Op p. 30 zegt hij dat Nigeria in 2100 met 400 miljoen inwoners nummer 2 zal zijn na India. Hij

vergeet China, dat dan nog wel een miljard inwoners zal tellen.

Bij de vele statistieken had ik graag wat meer vergelijkingen gezien met 1960, b.v. hoeveel

procent van de bevolking was toen ondervoed? Hij zegt wel dat Afrika in 1960 200.000 tractoren

telde, Azië slechts 120.000. Maar nu zijn er in India alleen al 2,6 miljoen, terwijl Afrika er nog

even weinig telt als in 1960. Bovendien staan de meeste nu te wachten op onderdelen. Een

verklaring voor deze stilstand/achteruitgang geeft Vercruysse niet.

Bij de literatuur (p. 375-376) mis ik de boeken van de Congolese historici Jean-Pierre Nzeza

Kabu Zex-Kongo en Marcel Yabili, die anders oordelen over de kolonisatie dan Vercruysse.

Tenslotte nog een paar details: 1863 is 11 jaar na 1852, geen “13” (p. 11). “Ikzelf” op p. 36 moet

‘mijzelf’ zijn als lijdend voorwerp. Op p. 278 zegt hij: “De Chinezen roofden Afrika niet leeg zoals

de Europeanen”. Maar ze eisten wel overal in Azië en Afrika dat de vorsten en stamhoofden

belastingen betaalden aan hun keizer! En ’t Is te zeggen (p. 359) is een gallicisme voor : ‘Dit wil

zeggen’.


Referentie:

Stijn Vercruysse,

De eeuw van Afrika

Het continent van de toekomst: over jonge dromen, nieuwe kansen en belangrijke uitdagingen.

Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, Gent, 23 maart 2026

Paperback, 376 pagina’s, kaart, literatuur, € 29,99 (e-book: € 12,50)

ISBN 978-94-934-1019-0; 29,99 € (e-book : 12,50 €).


©Jef Abbeel, april 2026 www.jefabbeel.be



Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
bottom of page