top of page

Een school voor olifanten. In het spoor van Leopolds waanzinnige expeditie naar het hart van Congo.

  • Jef Abbeel
  • 16 mrt
  • 5 minuten om te lezen

Sophy Roberts

De schrijfster is een Britse journaliste, die in 2020 op zoek ging naar ‘De verloren piano’s

van Siberië’ (meteen de titel van dat boek) en die nu een olifantentocht overdoet.

In 1879, zes jaar vooraleer hij Congo in bezit kreeg, liet Leopold II de Ier Frederick Carter

vier tamme olifanten uit Indië overbrengen naar Afrika, om daar een opleidingsschool

voor Afrikaanse olifanten op te starten en daarmee de rijkdommen van Congo naar de

kust te brengen. Die school kwam er, in het noordoosten van Congo. Ze staat er nu nog,

maar dan half vervallen en zonder olifanten, want na de onafhankelijkheid in 1960 was er

veel onrust en ivoorstroperij.

Olifanten werden destijds ingezet voor werk op de velden, vervoer van hout, aanleg van

wegen en spoorwegen, na 1960 ook voor toeristen-safari’s.

Hannibal gebruikte in 218 v.C. al Afrikaanse olifanten in zijn oorlog tegen de Romeinen,

de Britten in 1868 Indische voor een oorlog in Ethiopië. Leopold had dus voorgangers.

Roberts gebruikt die olifanten-project om te bestuderen hoe het Europese imperialisme

zich over Afrika verspreid had en welke de gevolgen waren voor de lokale bevolking.

Zij beschrijft het vervoer van India naar Zanzibar, waar Arabieren uit Oman aan de macht

waren en handel dreven in ivoor, goud en slaven. Mannen, vrouwen en kinderen werden

er verkocht voor de prijs van een ezel of minder (p. 66-67). In 1873 dwongen de Britten

de Omaanse sultan om die meer dan duizend jaar oude slavenhandel af te schaffen.

Tijdens de voettocht langs de route die Carter met de olifanten aflegde, vertelt Roberts

over het olifantengeheugen, het slinkend aantal olifanten (“nu nog 5.000 in Afrika,” p.

122-123, maar een regel verder zegt ze: “50.000 in Tanzania alleen”), Tanzaniaanse

mannen die nu nog 9 à 12 vrouwen hebben en 40 à 50 kinderen, de moeilijkheden

waarmee de Europese ontdekkingsreizigers, kolonisatoren en missionarissen destijds

kampten: hitte, dorst, ziektes, vijandige stammen, gevaarlijke dieren, slavenhandelaars

zoals Tippu Tip (1832-1905) en krijgsheren zoals koning Mirambo (1840/1860-1884), die

ondanks zijn machtige positie niet kon lezen of schrijven.

Regen, tseetseevliegen, wilde dieren en bijna ondoordringbare paden deden het plan

mislukken. Van de vier olifanten overleefde er maar één. En die stierf in Karema,

Tanzania, op 18 juni 1880. Wellicht moesten ze te zware lasten dragen (700 kilo i.p.v.

100 kg) en hadden ze te weinig eten en drinken gekregen tijdens de te lange zeereis (p.

307-308). Carter kwam er niet beter van af: hij werd in 1880 gedood door inlandse

krijgers.

Op het einde vertelt ze ook over de Arabische slavenhandel, die volgens haar 2,1 miljoen

Afrikanen tot slaaf maakte tussen 650 en begin 20ste eeuw (p. 311 en 384). Dat is wel

ver van het werkelijke aantal, dat rond 14 à 15 miljoen lag, nog hoger dus dan de trans-

Atlantische (12 miljoen), die ook minder lang duurde (ca. 1442-1870).

Na het mislukte experiment met de Indische olifanten liet Leopold in 1899 in Api,

Noordoost-Congo, een school oprichten, die in 1910, één jaar na zijn dood, 35 afgerichte

olifanten telde. Nadien werd er nog een tweede school opgericht. De laatste tamme

olifant overleed daar in 2010.


Het boek eindigt met een overzicht van de belangrijkste etnische groepen in Oost-Afrika,

de vele personen die betrokken waren bij de olifanten-tocht van 1879, interessante

eindnoten. Helaas staan er in de tekst geen verwijzingen naar deze noten. Er is ook een

selectieve bibliografie en een index.

Beoordeling

De schrijfster kan heel mooi vertellen, met veel empathie voor de Afrikanen. Ze heeft een

groot inlevingsvermogen en ze toont een intense belangstelling voor Afrika, zowel voor

de mensen, hun talen en culturen als voor de dieren.

Maar ze is geen objectieve historica. Al in het woord vooraf laat ze merken dat ze niet

onbevooroordeeld is. Soms lijkt haar boek meer op een pamflet vol verontwaardiging dan

op objectieve geschiedschrijving. Ze benadrukt enkel de negatieve kanten van de

kolonisatie.

Ze steunt te veel op het boek van Adam Hochschild, die het getal van 10 miljoen doden

bedacht en de praktijk van handen afhakken. Die 10 miljoen (op een toenmalige

bevolking van 10 à 15 miljoen) waren er wellicht een half miljoen en bovendien door

diverse oorzaken: ziektes, ondervoeding en er waren minder geboortes. En handen

afhakken bij Congolezen die de quota voor rubber niet haalden, was contraproductief,

zoals Leopold II destijds zelf al zei. De zgn. bewijzen zijn schaars: soms was er een

medische oorzaak. Bij de foto uit 1905 van de Britse consul Casement, die voor

verontwaardiging zorgde, was het een ongeval met een everzwijn. De boeken van

Congolese historici die Roberts tegenspreken staan dan ook niet in de ‘selectieve’

bibliografie: Jean-Pierre Nzeza Kabu Zex-Kongo: ‘Léopold II. Le plus grand chef d’Etat

de l’histoire du Congo’ (Paris, 2019) en Marcel Yabili: ‘Le roi génial et bâtisseur de

Lumumba, un exercice critique historique sur le plus grand fake news’ (Lubumbashi,

2020). Ook in dat opzicht is de bibliografie ‘selectief’.

De schrijfster overschat ook het toerisme van de Belgen in 1897: volgens haar bezocht 1

op 4 Belgen de mensentuin in Tervuren, terwijl toen bijna niemand buiten zijn dorp of

streek kwam.

Geregeld spreekt ze zichzelf tegen in cijfers: op dezelfde pagina 123 staat dat er nog

maximaal 5.000 olifanten zijn in heel Afrika, maar wel 50.000 in Tanzania alleen. Volgens

het WWF leven er nog 400.000 in Afrika en 45.000 in Azië.

Als de inwoners te veel wild afslachtten, dan lag dat aan de kolonisatoren die de

geweren aan hen verkocht hadden (p. 237). Elders zegt ze dan weer dat stroperij

eeuwenoud was, dus van vóór de kolonisatie (p. 278). De Arabische slavenhandel van

14 à 15 miljoen slachtoffers wordt herleid tot 2,1 miljoen (p. 311 en 384).

Het boek is mooi uitgegeven, met een stevige kaft en veel functionele foto’s, die een

duidelijk tijdsbeeld geven. De kaartjes hadden groter mogen zijn en meer plaatsnamen

mogen bevatten.

En een verklarend lijstje van de vele Afrikaanse begrippen zoals hongo, howda,

mahouts, ruga-ruga, boma, tembe, dhow, … zou zeer welkom zijn.

Bij de landen die Afrika nu uitbuiten, staan geen namen. Ze had wat dat betreft beter en

correcter China, Rusland en de VS wél uitdrukkelijk vermeld.

De schrijfster zegt dat Duitsland na WOI zijn kolonies moest afstaan aan de Britten (p.

141 en 199). Dat klopt slechts gedeeltelijk: België kreeg Rwanda en Burundi, Zuid-Afrika


kreeg Zuidwest-Afrika/Namibië. Eén zetfoutje: p. 250: wrattenzijn moet wrattenzwijn

worden.


Referentie:

Sophy Roberts,

Een school voor olifanten.

In het spoor van Leopolds waanzinnige expeditie naar het hart van Congo.

Vertaling van ‘A Training School for Elephants’ door Tine Poesen en Janne Van Beek

Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2025

Hardcover genaaid, 408 pagina’s, kaartjes, foto’s, lijstjes, noten, bibliografie, index.

ISBN 978-90-599-6015-2; € 27,99.

©Jef Abbeel www.jefabbeel.be maart 2026



Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
bottom of page