Ma vie, un rude combat
- Jef Abbeel
- 10 nov
- 4 minuten om te lezen
Paul-Louis Kabasubabo Koni
De auteur (1927-2016) was blijkbaar de grootste Congolese schrijver van de generatie Lumumba.
Tussen zijn 80 ste en zijn 88 ste schreef hij tien boeken. In dit werk beschrijft hij zijn leven als koloniaal
ambtenaar en ook de jaren 1960-1972, toen hij een zeer hoge ambtenaar van zijn land was.
Hij bewondert de Belgen, maar hij uit ook kritiek, o.a. op de blanken met dubbel huishouden: hun
vrouw in België, concubines in Congo. De kinderen uit zulke relaties, halfbloeden of mulatten,
werden al sinds 1890 beschermd door de staat, die zorgde voor hun onderhoud en onderwijs, zodat
ze nadien een eervolle functie kregen. Desondanks eisen ze nu een schadevergoeding van de
Belgische staat. Daar spreekt men van ‘gestolen kinderen’ en ‘misdaden tegen de menselijkheid’ (p.
10). Bij die kinderen hoorden de auteur en zijn broer. Hun vader heette René Preys (niet te
verwarren met de egyptoloog). Zij kregen zeer degelijk onderwijs in Boma, bij de Broeders van de
Christelijke Scholen. Soms waren die te streng en vernederden ze hun leerlingen. In 1935-1944 was
dat onderwijs beperkt tot het lager en vier jaar middelbaar. Ze leerden er ook dansen, koken,
kleren wassen, dagelijks douchen, typen, steno-dactylo en het land bewerken. Na die tien jaar
onderricht gingen ze naar het leger of naar de administratie.
Hij was altijd de eerste van de klas. De vriendschap tussen de scholieren was groot. Maar met de
onafhankelijkheid stortte dat systeem in elkaar en verdween de onderlinge solidariteit (p. 32).
Kabasubabo vertelt ook over de razzia’s die sommige zwarte chefs hielden om slaven te vangen
voor o.a. Tippo Tip (1837-1905), een zwarte chef uit Zanzibar, die ze verkocht aan Arabieren (p. 20).
In 1945 werd de schrijver kantoorbediende. Hij kreeg 600 BF per maand, blijkbaar voldoende om
ook zijn moeder en tante te financieren én een huisbediende aan te nemen. Deze pikte wel zijn
spaarcenten. Kabasubabo controleerde de immigratie in de haven van Boma en constateerde dat
de Belgen niet altijd de vereiste diploma’s en bekwaamheden hadden. Hij zelf was vrijgezel, maar
wel vader van een kind dat door zijn ouders opgevoed werd.
In 1957 kreeg hij de ‘Kaart van Burgerlijke Verdienste’: een ‘évolué’ kreeg daarmee toegang tot
privileges van de Europeanen: hotels, bars, bepaalde scholen, alcohol. Elk jaar werd hij geëvalueerd
en kreeg hij telkens de hoogste score: ”Elite”. Hij slaagde in een examen waardoor hij toegang
kreeg tot ambten die toen voorbehouden waren voor blanken.
Hij beschrijft en betreurt de achteruitgang na de onafhankelijkheid. Na 25 jaar hard werken in
Boma moest de auteur daar weg omdat hij partijloos was. Hij werd eerst bureauchef bij de centrale
regering in Kinshasa, dan directeur personeelszaken, daarna secretaris-generaal van het ministerie
van transport. Hij mocht Congo vertegenwoordigen op internationale conferenties.
Na een muiterij van Congolese militairen in 1960, sloegen veel blanken op de vlucht. Zwarten
namen onvoorbereid hun posten in. Er ontstond chaos. In 1963 waren de wegen al in staat van
verval en de mensen waren armer dan in 1960, toen Congo aan de top van Afrika stond. Leraren
werden zo slecht betaald dat ze op het bord schreven: ‘J’ai faim’ en geld eisten van de leerlingen.
Politici hadden overal onbekwame partijleden op hoge posten gezet.
Van 1964 tot 1970 was hij voorzitter van Otraco, de transportdienst voor het spoor, de rivieren en
havens. Met Belgische en Franse technische hulp moest hij de scheve toestanden weer
rechttrekken.
In eigen land had hij vaker tegenstand dan medewerking, ook van Mobutu, die zich overal mee
bemoeide en niet hield van onomkoopbare ambtenaren. Toch benoemde die hem in 1971 tot
directeur van een belangrijke spoorwegmaatschappij KDL, Kinshasa-Dilolo-Lubumbashi, die 2.612
km spoor beheerde en 17.000 personeelsleden had. Bij de BCK (Bas-Congo Katanga), die zich
bezighield met de bouw en exploitatie van die spoorweg, waren na 11 jaar onafhankelijkheid nog
alle belangrijke posten in handen van blanken (p. 149). Hij moest die dienst ‘afrikaniseren’. Daarbij
kreeg hij veel tegenkanting van zijn eigen minister, die de kant van de Belgen koos! President
Mobutu en die minister ontsloegen hem in maart 1972. Zij kozen de kant van de voormalige
kolonisator, die bovendien met Congolees geld een grote building zette in Brussel.
Na zijn ontslag kreeg hij een pensioentje van 11 dollar per maand voor 27 jaar dienst, waarvan 16
voor de kolonisator en 11 voor de Congolese staat (p. 204). Het is me niet duidelijk hoe hij dan toch
huizen kon bouwen en lid worden van een chique golfclub. Te meer omdat zelfs dat bedrag een jaar
2
lang niet op zijn rekening verscheen (p. 209).Hij bouwde een huis, dat hij verhuurde, maar de
huurder betaalde niet. Hij stichtte nog bedrijven, maar kreeg enkel tegenwerking. Hij werd
gouverneur van de Lions Clubs van Congo, Rwanda en Burundi.
In 1997 werd zijn huis in Kinshasa gedurende elf jaar in beslag genomen en geplunderd door
soldaten van Laurent-Désiré Kabila. In 2007 was het herleid tot een ruïne en alles was gestolen of
verwoest. Schadevergoeding kreeg hij nooit. Hiermee eindigt het boek in mineur.
Beoordeling
De auteur vertelt op een serene en trotse manier zijn harde levensloop, deels tijdens de kolonisatie,
deels tijdens de onafhankelijkheid. Hij toont zich niet gefrustreerd, in tegenstelling tot vele
Congolezen in de Belgische diaspora nu, die het falen van hun leiders op de Belgen steken.
Kabasubabo toont net aan dat de Congolese leiders het slechter deden dan hun voorgangers:
rechtszekerheid verdween, corruptie, verval, armoede, verwoestingen en verkrachtingen kwamen
in de plaats.
Het grootste deel is vlot leesbaar. Moeilijke materies zijn de discussies tussen leidinggevende
ambtenaren en de Congolese regering en president, die zich moeiden met zaken waarvan ze niets
kenden en die vaak tegenstrijdige orders uitvaardigden. En ook de juridische onderhandelingen
tussen Belgische en Congolese instanties. Maar globaal gezien is het een zeer toegankelijk boek.
Referentie:
Paul-Louis Kabasubabo Koni,
Ma vie, un rude combat.
Editions du Musée Familial Yabili, Lubumbashi, 30 juni 2023
Paperback, 230 pagina’s, kaarten, stambomen, foto’s, 24 x 14 cm
ISBN 978-23-835-4051-9; € 10,66.
© Jef Abbeel, september-oktober 2025 www.jefabbeel.be


Opmerkingen