top of page

Morgenrood boven China.

  • Jef Abbeel
  • 6 jun
  • 6 minuten om te lezen

Hoe de communisten een kwart van de mensheid voor zich wonnen.

Frank Dikötter

Dit is het zoveelste boek over China van deze succes-auteur. In de jaren 1981-1989

publiceerde de CCP/Chinese Communistische Partij 300 boeken met

partijdocumenten uit de jaren 1923-1949. Hij maakte daar dankbaar gebruik van. En

ook van de vijf boeken die tussen 1994 en 2007 in Moskou werden gepubliceerd

over de activiteiten van de Komintern in China tijdens het Interbellum.

Dikötter toont aan dat de partij vóór 1945 minder dan 2% van de bevolking als lid had

(nu is dat 7%) en dat ze leefden van buit en onteigeningen van zowel welgestelde

als arme mensen. De overwinning in 1949 schrijft hij toe aan Stalin en zijn miljoen

soldaten en aan het uithongeren van steden (p. 23). Wellicht volstaan die twee

factoren niet als volledige verklaring.

De 4-Meibeweging van 1919 was een reactie op de verdragshavens (havens die

werden opengesteld voor buitenlandse handel) of concessies, die na 1842 aan China

opgedrongen waren door Westerse landen en Japan.

In 1921 werd de CCP gesticht, o.a. door Henk Sneevliet. Toen telde ze slechts 53

leden. Mao wordt pas vernoemd bij het congres van 1923, dat gesponsord werd door

Moskou, dat ook wapens leverde, een militaire academie oprichtte en veel invloed

had. In 1926 stonden er zelfs 691 Russische spionnen en militaire adviseurs

geregistreerd bij het Russisch consulaat. En in Moskou werd in 1925 de Sun Yat-sen-

universiteit geopend, waar o.a. de zoon van Chiang Kai-shek, Chiang Ching-kuo, van

1925 tot 1937 studeerde en Deng Xiaoping van januari 1926 tot januari 1927.

Vanaf 1926 begonnen Chinese communisten en gewapende bendes zich met geweld

en met Russische hulp te verzetten tegen de buitenlandse concessies, hun

gebouwen te plunderen en te vermoorden. Maar Chiang beval zijn troepen de

buitenlanders en hun bezittingen te verdedigen.

In 1927 begon hij ook zijn strijd tegen de communisten. Hun partij telde toen 12.000

leden, de Nationalistische 350.000. In dat jaar werd ook het Rode Leger opgericht,

dat in 2027 een eeuw oud zal zijn.

Van 1927 tot 1931 (en eigenlijk tot 1949) vond de Rode Terreur plaats: overal werden

landheren en ’rijke boeren’ gemarteld, vermoord, soms zelfs onthoofd en

opengereten voor een publiek van duizenden mensen. Peng Pai, toonaangevend

leider van de martel- en moordcampagnes, gebruikte een lijst van 28 categorieën die

uitgeroeid moesten worden, van politieke tegenstanders tot zieken, ouderen en

prostituees. Beulen en ook de afgevaardigden van de sovjet van Hailufeng kregen

van de communisten een quotum hoofden per maand toegewezen en het bevel om

de boeren aan te sporen om elk ook minstens tien ‘reactionairen’ te doden. Dikötter

beschrijft de vreselijke folteringen die bij duizenden aan het nekschot voorafgingen


2

(p. 116-119). Tegelijk werd het platteland geteisterd door roversbendes en door het

communistische schrikbewind. Onder leiding van Mao en Zhu De roofden de

communisten de missieposten leeg, ontvoerden ze missionarissen, eisten ze grote

sommen losgeld en als ze dat niet kregen, schoten ze hen dood of onthoofdden ze

hen (p. 134).

In 1929 trad Stalin met een groot leger op tegen de regering van Beijing, die de

Oostelijke Spoorlijn in beslag had genomen. In 1930 schonk hij grote sommen geld

aan Mao, die in de Pravda de hemel werd in geprezen.

In 1931-1932 viel Japan binnen in Mantsjoerije, dat bekend stond om zijn vruchtbare

grond, steenkool en mineralen. Japan wilde het ook als bufferstaat tegen de SU.

Chiangs leger verzette zich vastberaden, maar verloor.

Ook in 1931 riep Mao in Jiangxi de Chinese Sovjetrepubliek uit, op 2% van het

grondgebied. De Sovjetrepubliek zorgde voor veel armoede en hongersnood door

alle landheren te executeren en in massagraven te dumpen, door alle overschotjes af

te pakken van de boeren en door de meeste mannen op te eisen voor hun leger (p.

167-181). De bevolking van de sovjet daalde van 5,6 naar 4,3 miljoen, grotendeels

door executies.

De ‘Lange Mars’ of lange vlucht van Zuid-Oost-China naar het westen en dan naar

het noorden duurde van 1934 tot 1936. Het Rode Leger leefde van plunderingen.

Wie deserteerde, werd doodgeschoten. Onderweg leden ze geregeld een nederlaag.

In november 1935 kwam Stalin tussenbeide: hij eiste dat alle troepen een Verenigd

Front zouden vormen, ook met Chiang, tegen Japan. In 1936 kocht Chiang 750

gevechtsvliegtuigen voor de oorlog tegen Japan. De auteur zegt niet wie de verkoper

was: wellicht Duitsland, dat toen aan China meer verkocht dan Groot-Brittannië.

Stalin steunde Chiang ook in zijn strijd tegen Japan, meer dan Mao, die zijn

binnenlandse rivaal als gevaarlijker beschouwde dan de buitenlandse en die met zijn

troepen slechts één keer het Japanse leger aanviel, nl. op 25 september 1937.

Japan won, maar de communisten saboteerden wel de telefoon- en telegraaflijnen

die de Japanners nodig hadden. Op 13 december 1937 slachtten de Japanners in

Nanjing ca. 200.000 ongewapende burgers af, één van de ergste oorlogsmisdaden

uit de recente geschiedenis. Vrouwen van alle leeftijden werden eerst verkracht en

dan gedood. In maart 1938 kon het Chinese leger één keer winnen tegen Japan,

maar de Japanse overheersing bleef duren tot 1945.

In september 1937 publiceerde Edgar Snow zijn ‘Red Star over China’, een bijna

heiligverklaring van de ‘geniale militaire en politieke strateeg’ en de ‘sober levende

revolutionair’ Mao, met minstens één voorspelling die uitkwam: “Hij kan wel eens een

heel groot man worden.” (p. 264-265). Het boek werd in twintig talen vertaald! Snow

besefte niet dat Mao’s troepen duizenden tegenstanders van het communisme

levend begroeven en hele dorpen in brand staken (p. 276-277).


3

Het ‘Verenigd Front’ van Chiang en Mao tegen Japan was enkel in schijn verenigd en

een onderlinge botsing was onvermijdelijk. In 1940 schreven Mao en Chen Boda het

pamflet ‘Over nieuwe democratie’. Ze beloofden een meerpartijenstelsel, algemeen

stemrecht, democratische vrijheden, bescherming van particulier bezit. Niets daarvan

voerden ze uit (p. 288-289).

In 1941 vervingen de Amerikanen de Russen in China: zij moesten hun eigen land

verdedigen tegen Hitler. In 1943-1944 lanceerde Mao zijn Rectificatiebeweging:

15.000 mensen werden uitgeschakeld als ‘vijandelijke agenten en spionnen’ (p. 300-

303).

In de jaren 1940-1945 werd China ook geteisterd door een erge inflatie: in 1940 kon

je met 100 yuan een varken kopen, in 1945 nog een vis. Bovendien bracht Japan

valse bankbiljetten in omloop, waardoor de economie verder ondermijnd werd.

Roosevelt kreeg foutieve adviezen van Amerikaanse medewerkers, die misleid

waren door Mao en Stalin en die Chiang voorstelden als een fascistische dictator en

Mao als een democraat (p. 313-315).

Drie dagen na de atoombom op Hiroshima stormden een miljoen Sovjet-soldaten

binnen in Mantsjoerije en Korea. Ze plunderden en verkrachtten massaal in

Mantsjoerije. Japan gaf zich over, wat zowel Chiang als Mao verraste en voor grote

vreugde zorgde in Chongqing, waar Chiang zijn hoofdkwartier had. Stalin adviseerde

Mao om overeen te komen met Chiang. Maar die twee hadden mekaar in twintig jaar

niet meer ontmoet en wantrouwden elkaar (p. 328-337). De communisten begonnen

de treinen te saboteren, dijken op te blazen en andere wandaden te verrichten,

waardoor de regering van Chiang het erg moeilijk kreeg en de bevolking er

ontevreden over werd. In december 1945 eiste Truman dat Chiang een

coalitieregering sloot met de communisten. Maar Mao zette de burgeroorlog verder.

In december 1946 richtten de communisten in Xiwanzi een bloedbad aan: meer dan

1.000 van de 3.000 katholieken werden afgeslacht, de landeigenaars werden vooraf

nog gefolterd en de kerken werden in brand gestoken omdat de gelovigen weigerden

marxist te worden. Dikötter is de eerste beroeps-historicus die deze massamoord

vermeldt. Het dorp kreeg de bijnaam ‘Klein Lidice’, naar het Tsjechische dorp waar in

1942 door de nazi’s 340 inwoners werden uitgemoord (p. 343, 362 en 418).

Ook andere dorpen en steden ondergingen onbeschrijflijke wreedheden. Geregeld

werden steden uitgehongerd, met tienduizenden doden en zelfs 160.000

hongerdoden in de stad Changchun. Iedereen at wat er was, van gras en

boomschors tot mensenvlees.

In december 1947 telde het leger van Mao 730.000 soldaten en kreeg het grote

hoeveelheden wapens van Stalin, terwijl de VS heel karig waren met hun leveringen

aan Chiang (p. 347-353).

Vanaf 1948 hadden de communisten de overmacht. Op 23 april 1949 werd Nanjing

ingenomen, op 25 mei Sjanghai. De auteur eindigt met de vlucht van Chiang naar


4

Taiwan en de verovering van Tibet in 1950. Hij vertelt niet hoeveel Chinezen met

Chiang naar Taiwan vluchtten en ook niet hoe ze daar ontvangen werden.

Beoordeling

Dikötter heeft opnieuw een grondige studie over China afgerond. In China zelf zal ze

niet verschijnen. De moordpartijen en de barbaarse martelpraktijken worden telkens

aangeklaagd en voorzien van bronvermeldingen in de noten. Het totale aantal doden

wordt niet genoemd.

De auteur beweert herhaaldelijk dat de communisten nergens op sympathie konden

rekenen, dat iedereen op de vlucht ging, maar dat belet niet dat ze een leger hadden

van 730.000 à 1 miljoen soldaten plus 5 miljoen helpers en uiteindelijk de

burgeroorlog wonnen (p. 366). De lezer blijft hier op zijn honger. De hulp van Stalin

had duidelijker aangetoond mogen worden. Nu lijkt het alsof Mao enkel won door

liegen, saboteren, uithongeren en uitmoorden.

Een paar details: ‘hoewel ze konden niet worden ingezien’ (p. 14) is een verkeerde

constructie voor: hoewel ze niet konden worden ingezien. ‘Wat moet we’ (p. 102) zou

beter zijn: ‘wat moeten we’. ‘Gereorganiseerde’(p. 283) mag worden:

‘reorganiseerde’. ‘De felle vechten’ (p. 310) veranderen we in ‘de felle gevechten’ en

‘Yenan’ (p. 318) in Yan’an.

Het register is bijzonder uitgebreid. Het bevat zowel de personen als de plaatsen. En

de kaarten zijn onmisbaar.

Globaal gezien is het een degelijke studie over de geschiedenis van China tussen

1921 en 1949.


Referentie:

Frank Dikötter,

Morgenrood boven China.

Hoe de communisten een kwart van de mensheid voor zich wonnen.

Vertaling van ‘Red Dawn over China’ door Rob de Ridder.


Uitgeverij Spectrum, Amsterdam/Lannoo, Tielt, mei 2026

Hardcover genaaid, 462 pagina’s, kaarten, noten, bibliografie, register.

ISBN 978-90-003-9120-2; € 39,99.

© Jef Abbeel, Turnhout mei 2026 www.jefabbeel.be



Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
bottom of page