Stalin

Inleiding.

Stalin is weer “in”, niet in West-Europa, maar wel in Oost-Oekraïne en in Rusland.

a)De rebellen in Donetsk, die zich in mei 2014 afgescheiden hebben van Oekraïne, betreuren het einde van de Sovjet-Unie en ze zien Stalin als het voorbeeld van een goede leider.

Hun stad heette in 1924 trouwens “Stalin”, later “Stalino”, na 1956 Donetsk.

Ze gebruiken affiches met de kop van Stalin erop in militair uniform en met zijn woorden uit de 2° W.O. : “Onze zaak is de juiste. De vijand zal worden uitgeroeid. Wij zullen de overwinning behalen”. (D.S., okt. 2015).

b)In Rusland zijn er weer een tiental steden, o.a. Lipetsk, die standbeelden van Stalin opgericht hebben. Een deel van de inwoners keurt dat goed, een deel is ertegen.(Russia report van Radio Free Europe, 1 sept. 2015).

c)Poetin is uiteraard veel minder erg dan Stalin, maar hij heeft wel zijn dictatoriale trekken en wil Rusland weer een prominente rol laten spelen in de wereld.

Maar weinig Russen willen terug naar de communistische tijd. Poetin ook niet.

Maar hij vindt dat het Westen teveel afgepakt heeft van de vroegere invloedssferen van de SU en dat de NAVO veel te ver opgeschoven is naar het oosten.

Vandaar zijn annexatie van de Krim en zijn bemoeienissen met Oost-Oekraïne.

En Syrië was/ is zijn enige bondgenoot in het Midden-Oosten. Vandaar zijn steun aan Assad.

d)Stalin werd onlangs uitgeroepen tot de grootste Russische persoonlijkheid van de 20° eeuw ! Dat toont de nostalgie naar de tijd van de Sovjet-Unie.

e)Helemaal onbegrijpelijk : patriarch Cyrillus van de orthodoxe kerk heeft zich in november 2015 verzet tegen de kritiek op Stalin en vindt dat hij gerehabiliteerd moet worden als “de staatsman die zijn land naar de wederopstanding en de modernisering heeft geleid”. Diezelfde orthodoxe clerus is door Stalin gedecimeerd en de kerken waren bijna ontoegankelijk zolang het communisme bestond !

(LLB, 20.11.2015)

f)Gorbatsjov vindt ook dat het Westen zich niet correct gedraagt tegenover Rusland.

g)De terechte aanklacht van doping in de Russische atletiek (en in alle andere sporten in Rusland) en de dreiging met het schrappen van Rusland voor de O.S. van Rio in 2016 worden in Rusland weer ervaren/ geïnterpreteerd als een anti-Russisch gebaar van het Westen.

I.De auteur van deze biografie, zijn werkwijze en de titel.

Oleg Chlevnjoek is een vooraanstaand historicus en hoofdmedewerker aan het Centrum voor de geschiedenis van de 2° W.O. en aan het Russisch Staatsarchief voor Sociale en Politieke Geschiedenis.

In deze hoedanigheid heeft hij toegang tot de meeste archieven.

Hij is geboren in 1959, dus zes jaar na de Stalintijd, maar hij heeft wel 30 jaar in de Sovjet-tijd geleefd en al 20 jaar van zijn leven besteed aan Stalin en over hem geschreven: The history of the Gulag en Stalin’s Shadow.

Hij is van etnisch Oekraïense afkomst, zoals blijkt uit zijn naam. Hij is ook in Oekraïne geboren.

Deze biografie is zijn eerste werk dat in het Nederlands is vertaald.

Ze is oorspronkelijk in het Russisch geschreven. Zijn medewerkster en vertaalster Nora Favorov heeft ze in het Engels vertaald : “Stalin. New biography of a dictator”. Chlevnjoek heeft deze vertaling geautoriseerd.

De Engelse titel is correcter dan de Nederlandse (van Toon Dohmen): “Stalin. De biografie”.

Want de laatste 25 jaar zijn er vele biografieën van Stalin verschenen, ook van Russen zoals Volkogonov in 1991.

Volkogonov (1928-1995) was een ex-kolonel en ex-Stalinist, die pas na 1985 in de archieven ontdekte dat zijn ouders door Stalin uitgeroeid waren.

De omvangrijkste is die van de Amerikaanse hoogleraar Stephen KOTKIN(°1959) : Stalin, Paradoxes of Power. Penguin, Londen, 2014.

Alleen deel 1(1878-1928) van de 3 telt al 949 p.

En wellicht zullen er in de toekomst nog nieuwe archieven opengaan en weer nieuwe gegevens onthullen.

De literatuur over Stalin is eindeloos en varieert van populistische verheerlijking van “het grootste genie der mensheid” tot wetenschappelijk zeer verantwoord zoals dit boek met eindeloos veel verwijzingen naar archieven en andere bronnen.

Rond 1985-1991 gingen de archieven stapsgewijs open en kwam de stroom op gang.

Bekende en goede biografen zijn Dimitri Volkogonov(1928-1995), Simon Sebag Montefiore (°1965, Brit met Italiaans-Joodse roots) en Orlando Figes(°1959, Brit).

Chlevnjoek had het voordeel dat hij toegang kreeg tot archieven die pas de laatste jaren opengingen en hij baseert zich meer op die archiefstukken dan op memoires van medewerkers van Stalin, die aan zelfcensuur moesten doen en vervolgens ook nog eens gecensureerd werden door de overheid.

Hij gaat ook fel tekeer tegen pseudowetenschappelijke literatuur van hedendaagse Stalinisten, die beweren dat de Russen het veel beter hadden tijdens Stalin en dat de terreur ontstaan is buiten Stalin om, terwijl Chlevnjoek telkens aantoont dat de bevelen van Stalin zelf kwamen.

Of dat de terreur gerechtvaardigd was om die miljoenen doden ook echte volksvijanden waren

Of omdat de SU zich moest voorbereiden op een oorlog.

Chlevnjoek heeft zijn biografie een aantrekkelijke vorm willen geven, door elk van de zes hoofdstukken te beginnen met een lang fragment over Stalins dood.

Maar dat komt zeer verwarrend en chaotisch over en stoort ook dikwijls het spannend verloop.

Dat geldt ook voor het privéleven van Stalin en zijn familie, dat heel verbrokkeld aan bod komt, meer na zijn dood dan ervoor. Ik haal het hier dan ook eruit en begin ermee.

Je kunt dus best eerst alle chronologische hoofdstukken lezen en dan de intermezzo’s.

II.Stalin privé

Na een lang voorwoord over zijn werkmethode, begint Chlevnjoek dan eindelijk over het leven van Stalin.

Hij ziet daarin twee periodes : 38 jaar vóór de Revolutie van 1917, 36 erna.

Joseb (Soso) Vissarionovitsj Dzoegasjvili werd officieel geboren 1879 in Gori, Georgië. Hij was dus tien jaar ouder dan zijn latere tijdgenoot Hitler.

Maar Chlevnjoek vond een doopregister, waaruit blijkt dat hij al op 6 december 1878 werd geboren. Hij vervalste later, rond 1913, dus zowel zijn naam tot Jozef Stalin als zijn geboortejaar.

Het geboortehuis van Stalin staat nog altijd overeind in Gori en Beria heeft er een tempel bij laten bouwen. Er is ook nog een Stalinlaan en een Stalinmuseum.

Zijn ouders waren niet echt arm, want hij mocht naar school.

Zijn vader was een (Ossetische) rondtrekkende schoenlapper. Hij sprak zowel Russisch als Georgisch en was geletterd.

Hij werd een gewelddadig alcoholist en moest van zijn vrouw het huis verlaten.

Stalin was het derde kind, maar de eerste twee stierven vroeg.

Stalin sprak aanvankelijk enkel Georgisch, net zoals zijn gevaarlijke medewerker Beria, soms tot ergernis van de andere leden van het Politbureau, die dat duo niet verstonden en wantrouwden.

Georgië was (en is ) een klein, achtergebleven en onrustig gebied in West-Azië, ten zuiden van de Kaukasus, grenzend aan Turkije, Armenië, Azerbeidzjan en Rusland. Lenin noemde Stalin trouwens de “Aziaat”. De bloedwraak bestond er nog en Stalin nam ze mee naar Moskou.

Georgië ligt dichter bij Bagdad dan bij Sint-Petersburg. Saddam Hoessein was een grote fan van Stalin en zijn studeer- en slaapkamer stonden vol met boeken over zijn idool (Montefiore, p. 41). Het is ook een zonnig land en lijkt met zijn wijngaarden meer op Sicilië dan op Siberië.

Het was dus wel een prestatie voor Stalin om als niet-Rus op te klimmen tot de hoogste macht.

In de late Middeleeuwen hoorde Georgië bij het Mongoolse rijk, van 1510 tot 1810 bij het Osmaanse. Tussen 1810 en 1878 werd het veroverd door Rusland.

In 1918 verklaarde het zich onafhankelijk, maar in 1921-23 werd het heroverd door het Rode leger.

Pas in 1991 werd het onafhankelijk met als hoofdstad Tbilisi. Het telt nu ca. 5 miljoen inwoners, waarvan 1,25 in de hoofdstad, waar het in de zomer broeiend heet kan zijn.

Vanaf zijn 11° jaar leerde Stalin ook Russisch op de theologische school, een soort klein seminarie, in Gori.

Maar zijn Russisch bleef een zwaar Georgisch accent behouden.

Duits, Engels of Frans leerde hij nooit. Zijn dochter Svetlana wel.

Van 1894 tot 1899 studeerde hij, met een studiebeurs van de priester van zijn dorp, voor orthodox priester in het seminarie van de Georgische hoofdstad Tiflis / Tbilisi.

Hij behoorde er aanvankelijk tot de beste leerlingen, maar verloor zijn geloof en werd wegens zijn marxistische propaganda en revolutionair gedrag (en minder goede uitslagen) van het seminarie gestuurd.

Toch kreeg hij een attest van “goed gedrag” mee, dat ook bewaard is.

Op zijn 21° werd hij beroepsrevolutionair in de “Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij”. Hij studeerde wel verder als autodidact.

Hij werd bankovervaller om de partijkas te spekken. Werken deed hij niet. Later wel wanneer hij aan de macht was.

Zes keer werd hij verbannen naar Siberië.

Maar toen was Siberië eerder een open gevangenis, met slechts één deeltijdse politieagent per dorp, zodat men gemakkelijker kon ontsnappen dan tijdens de communistische periode. Revolutionairen ontmoetten er elkaar, brachten er leesvakanties door, maakten er ook ruzie. Ze hadden er ook vele kortstondige relaties met vrouwen. Vooral Stalin had blijkbaar een grote aantrekkingskracht op hen.

In 1906 trouwde hij een eerste keer met Jekatarina of Kato Svanidze.

In 1907 werd hun zoon Jakov geboren. Hij kreeg de achternaam Dzjoegasjvili. Toen bestond de naam Stalin nog niet.

Op 25 november 1907, dus al na een goed jaar, stierf zijn verwaarloosde vrouw Kato in zijn armen aan tbc of tyfus.

Jakov werd opgevoed door de familie van zijn vrouw.

Stalin had nog weinig contact met hem en was niet tevreden over zijn leven.

Jakov trouwde twee keer. Bij zijn tweede vrouw kreeg hij in 1939 een dochter, Goelia.

In 1943 viel hij in Duitse handen.

Er wordt verteld dat de Duitsers hem wilden ruilen tegen de krijgsgevangen generaal von Paulus. Stalin zou dat geweigerd hebben en gezegd hebben : ik ruil geen soldaat tegen een maarschalk en ook dat hij zelfmoord had moeten plegen,

wat hij ook deed in een concentratiekamp.

Maar Chlevnjoek heeft geen enkel bewijs gevonden voor dat onderhandelingsvoorstel.

In zijn Siberische tijd had Stalin geregeld een verhouding, o.a. met Maria Koezakova, een jonge weduwe, bij wie hij in 1910 een zoon verwekte en

in 1914 met een 14-jarig meisje, bij wie hij waarschijnlijk ook een zoon had.

Blijkbaar was er toen nog geen alimentatieplicht.

In 1919 trouwde Stalin een tweede keer, nl. met Nadezjda of Nadja Alliloejeva, nadat hij eerst een verhouding had met haar moeder Olga. Nadja was de secretaresse van Lenin. Nadja was 17, Stalin 41.

Uit dit tweede huwelijk had hij één zoon Vasili(1921-1962) en één dochter, Svetlana(1926-2011). Verder een aangenomen zoon, Artjom, over wie we niet veel weten.

Vasili en Svetlana kregen de familienaam van hun moeder. Stalin was geen officiële naam. En hij wou niet dat zijn kinderen gebruik zouden maken van zijn bekendheid en zijn macht om privileges te krijgen. Uiteindelijk kregen ze die wel, levenslang en in overvloed.

Er is ook een andere versie die zegt : Svetlana heette Stalina tot 1957, maar na het partijcongres van 1956, waarop de eerste destalinisatie plaatsvond, veranderde ze haar achternaam in Alliloejeva, de enige naam waaronder ze in de SU van de jaren ’60 en ’70 bekend was.

Op zijn zoon Vasili had Stalin veel kritiek : hij wou niet studeren en verbraste veel overheidsgeld aan drank, vrouwen en dure pronkauto’s. Uiteindelijk werd hij piloot bij het leger, maar in 1943 werd hij wegens wangedrag en drankzucht ontslagen door zijn vader. Vasili was trouwens zeer bang van zijn vader.

Vasili trouwde drie keer, nl. in 1940, 1946 en 1950. Uit zijn eerste twee huwelijken had hij telkens een zoon en een dochter, in totaal dus vier kinderen.

Vasili bleef zich misdragen met drank en vrouwen, was op zijn dertig al een oude man, hij liet een duur landhuis bouwen en meer dan eens renoveren, liet per vliegtuig dure spullen overkomen uit Duitsland, belandde tijdens Chroesjtsjov in de gevangenis en stierf in 1962 op zijn 41° in ballingschap aan de gevolgen van zijn alcoholverslaving.

Van Svetlana hield Stalin wel, maar hij maakte geen tijd vrij om zich met haar opvoeding bezig te houden.

Ze zagen mekaar wel als ze op vakantie gingen in Sotsji aan de Zwarte Zee.

Of in 1935 toen ze samen een ritje deden met de metro en overrompeld werden door enthousiaste massa’s.

Nadja was een ijverige vrouw, die zich als “first lady” zeer eenvoudig gedroeg,

aldus Chroesjtsjov, die haar in 1929 leerde kennen aan de Industriële Academie in Moskou, waar zij verder studeerde toen ze al twee kinderen had. Haar doel met haar studie was : meewerken aan de opbouw van de SU.

Zij introduceerde Chroesjtsjov, een ex-monteur in de mijnen van het Donetsbekken, bij Stalin en nodigde hem thuis uit.

Ze haatte Beria en wou niet dat Stalin hem thuis uitnodigde.

Stalin zelf leefde trouwens ook heel sober en droeg bijna altijd dezelfde kleren.

In 1932 pleegde Nadja zelfmoord met een kogel, op haar 30° . De officiële doodsoorzaak was een “gesprongen appendix”. Dat was ook de versie die Nina Loegovskaja gehoord had toen zij de begrafenis bijwoonde.

De artsen die deze foute doodsverklaring weigerden te tekenen, werden meteen verbannen naar een concentratiekamp.

De aanleiding tot haar zelfmoord was een openlijke flirt van Stalin met een andere vrouw tijdens een feest en het feit dat Stalin eten in haar gezicht gooide.

Maar ze was al langer depressief en ongelukkig omdat ze slaag kreeg van Stalin en zich verzette tegen zijn harde dictatuur en om zijn aanpak van de collectivisatie.

Ze meldde hem dat de mensen honger leden.

Stalin maakte elke liefdesrelatie kapot, door ze op te offeren aan zijn politieke en messianistische ambities om een plaats te veroveren in de geschiedenis, wat hem gelukt is.

Verder ook door zijn onbeschoft en brutaal gedrag en door te flirten met andere vrouwen in het bijzijn van zijn vrouw.

En hij had keuze te over: vrouwen van zijn kamerdienaars zoemden om hem heen.

Stalin was wel heel bedroefd en trouwde later niet meer opnieuw.

Vasili en Svetlana werden dus opgevoed door een gouvernante, een huisonderwijzer en ander personeel. Hun vader zagen ze slechts bij gelegenheden.

Svetlana studeerde wel goed. Ze wou aan de universiteit literatuur studeren, maar van Stalin moest ze geschiedenis kiezen.

Ze werd meerdere keren verliefd. Maar haar vrienden vielen niet in de gunst van Stalin. Hij ergerde zich ook aan het feit dat zijn kinderen tijdens de oorlog vrolijk verder genoten van het leven alsof er niets aan de hand was.

Op 15 augustus ontmoette Churchill haar in het Kremlin en omschreef haar als een knap roodharig meisje, waar Stalin trots op was.

In datzelfde jaar 1942 werd de 16-jarige Svetlana verliefd op de 38-jarige Joodse filmmaker Aleksey Kapler.

Stalin vergat dat hij op zijn 41 ook getrouwd was met de 17-jarige Nadja.

Hij was woedend en liet Kapler arresteren en voor 10 jaar verbannen naar de goelag in Vorkuta, bij de Poolcirkel, zogezegd omdat hij een Engelse spion was.

Toen Svetlana zei dat ze van hem hield, kreeg ze twee oorvijgen en zei Stalin : kon je geen Rus vinden ?

Svetlana getuigt dat ze haar vader nog nooit zo kwaad had gezien en dat die arrestatie een einde maakte aan hun bijzondere band(311).

Toen ze nadien in een Engelstalig tijdschrift ontdekte dat haar moeder zelfmoord had gepleegd, zei ze daar niets over tegen Stalin.

Haar tweede vriend heette Grigori Morozov, een studiemakker. Ook hij was een jood. Stalin verzette zich hevig en wou hem niet ontmoeten. Toch trouwde de 19-jarige Svetlana met hem in 1945 en ze kreeg in datzelfde jaar , op haar 19° dus, een zoon van hem: Josef Morozov(1948-2008). Ze had hem genoemd naar haar vader.

Wellicht had Stalin met tegenzin toestemming gegeven voor het huwelijk om haar bitterheid na de zaak Kapler weg te nemen.

Maar hij weigerde de bruidegom en zijn kleinkind te ontmoeten en in 1947 moest Svetlana op Stalins bevel van Morozov scheiden.

Ze bleven nog jaren dichte vrienden.

In 1948 trouwde Svetlana opnieuw, nu met Joeri Zjdanov, zoon van Stalins trouwe medewerker Andrej Zjdanov, die al in 1948 stierf. Het was een door Stalin gearrangeerd huwelijk.

In 1950 kregen ze een dochter Jekaterina / Katja Zjdanova.

Kort nadien liep ook dit huwelijk helaas spaak.

In 1953 mocht Svetlana als enige van de kinderen bij het sterfbed van haar vader zijn, hoewel deze haar al jaren niet meer had gesproken.

Na Stalins dood kreeg Svetlana een uitkering en werkte ze als docent en vertaler in Moskou. Ze sprak vloeiend Duits, Frans en Engels.

In 1963 liet zij zich dopen in de Russisch Orthodoxe Kerk.

In datzelfde jaar werd ze verliefd op een Indiase communist, Bradegh Singh.

Van premier Kosygin mocht ze niet trouwen met een zieke Indiër, maar ook nu negeerde ze dat verbod en trouwde ze een 3° keer.

Toen deze in Moskou stierf, werd hij gecremeerd.

Svetlana mocht in 1967 de as overbrengen naar India. Het was haar eerste buitenlandse reis.

Wsch. vluchtte ze weg, omdat ze steeds meer gegevens vernam over de wandaden van haar vader. Ze voelde zich de gevangene van haar vaders naam en wilde daar niets meer mee te maken hebben.

Ze liet haar kinderen Jozef (21) en Katja (17) achter in Moskou.

Katja vergaf haar nooit dat ze haar had achtergelaten.

In India bloeide ze even op bij de familie Singh.

De KGB eiste dat ze terugkeerde, maar ze weigerde.

Ze vluchtte naar de Amerikaanse ambassade, kreeg daar politiek asiel en een uitreisvisum : via Zwitserland, waar ze George Kennan ontmoette, vloog ze naar New York (12.04.1967).

Het Kremlin publiceerde als verklaring dat ze “gek” was geworden.

Haar vlucht naar het Westen en haar interviews voor Amerikaanse tv-stations en kranten veroorzaakten een schok in en buiten de SU. Het viel ook op hoe uitstekend haar Engels was. Ze drukte de wens uit dat de VS en de SU vrienden zouden worden.

Ze vestigde zich in Princeton, New Jersey. Ze werd er schrijfster en doceerde aan de universiteit, waar ze veel succes had bij haar studenten.

Daar schreef (of dicteerde) ze drie boeken:

a)”Twintig brieven naar een vriend” (1967); (“Twenty letters to a friend”)

b)”Svetlana, het verhaal van Stalins dochter” (“Svetlana, the story of Stalins daughter”)

c)”1969 : slechts één jaar” (“Only one year”).

Ze kreeg toen 3 miljoen $ voor haar memoires en ook nog eens geld voor haar interviews en tv-optredens. Ze werd dus snel miljonair.

Haar boeken geven een levendige kijk op het leven in de familie en in het Kremlin.

Ze uitte ook veel kritiek op Beria, die volgens haar de geest van haar vader vergiftigde en de schuld was van de wreedheid van Stalin.

Ze vergaf Beria nooit dat hij lachte toen haar vader op sterven lag.

In Amerika werd ze opnieuw verliefd, eerst op Louis Fisher, een Amerikaanse Sovjetdeskundige, die in 1970 stierf.

Daarna op William Wesley Peters, architect en leerling van Frank Lloyd Wright, met wie ze trouwde in 1970.

Ze nam de naam Lana Peters aan.

In 1971, op haar 44°, werd hun dochter Olga geboren. Olga was dus haar derde kind.

In 1973 scheidde ze van Peters. Het was haar 4° kortstondig huwelijk en haar 4° snelle scheiding.

In 1978 werd ze Amerikaans staatsburger.

In 1982 verhuisde zij met Olga naar Cambridge in Engeland. Daar bekeerde zij zich tot de katholieke kerk.

In augustus 1984 kreeg ze heimwee naar haar geboorteland en keerde ze met Olga(die enkel Engels kende) terug naar de SU. Daar kreeg ze meteen het Sovjet-burgerschap terug.

Het is niet duidelijk of ze in Moskou opnieuw contact had met haar zoon Jozef, met wie ze geen contact had gehad sinds 1967.

De autoriteiten wilden dat ze in Gori, het geboortedorp van haar vader, ging wonen, maar ze kreeg daar ruzie met haar Georgische familie.

In 1986 mocht ze terugkeren naar de VSA.

In de jaren ’90 verhuisde ze nog eens naar Engeland(Bristol), waar ze Brits burger werd.

In totaal verhuisde ze meer dan 40 keer : ze bleef rusteloos en ze voelde zich permanent achtervolgd door de erfenis van Stalin.

In 2009 keerde ze terug naar de VSA.

Daar stierf ze, op 22 november 2011, op haar 85°, aan darmkanker, in een verzorgingstehuis voor arme mensen in Wisconsin, in de diepste armoede: ze had haar miljoenen uitgedeeld aan goede werken of opgedaan.

Haar zoon Jozef was al in 2008 gestorven, op zijn 63°.

Haar dochter Katja werd wetenschapster in Oost-Siberië : met haar heeft ze na 1967 nooit meer gesproken.

Haar jongste dochter Olga (°1971) leeft nog in de VSA onder de naam Chrese Evans en ze vergezelt de Amerikaanse auteur Rosemary Sullivan, auteur van “Stalins Daughter”, tijdens haar media-optredens.

Ze runt een modeboetiek in Portland (Oregon).

In 2011 schreef ze een publiek “In memoriam” voor haar moeder.

In 2015 verscheen, in samenwerking met haar, een nieuwe biografie van haar moeder, genaamd “Stalin’s daughter”.

The Wall Street Journal typeerde Olga als een “getatoeëerde en gepiercete hipster” uit Portland.

Ongelooflijk dat zo iemand de achterkleindochter is van een schoenmaker uit Georgië en de kleindochter van Stalin.

Na de oorlog zag Stalin zijn kinderen en kleinkinderen nog zelden. Svetlana was wel aanwezig bij zijn dood, zoals ook blijkt uit het aangrijpende getuigenis van Svetlana (zie bij 1953) en uit de memoires van medewerkers van Stalin.

Tot daar Stalin privé, deels ook op basis van Montefiore (2).

III.

Over naar Stalin als revolutionair en politicus.

Vanaf 1899/1900 tot 1917 leefde hij in de illegaliteit.

In 1902 werd hij een eerste keer gevangen genomen en na 1,5 jaar cel naar Siberië verbannen.

In 1904 ontsnapte hij en sloot zich aan bij de bolsjewieken van Lenin, veelal meedogenloze en met bloed besmeurde jonge mannen, met zeer uiteenlopende achtergronden: Russen, Oekraïners, Georgiërs, Polen, Armeniërs, Joden, antisemieten.

Bekende joden waren : Trotski, Kaganovitsj, Mechlis, Kamenev, Zinovjev,

Stalins doctores Proskrjobysjeva, zijn veiligheidschef Karl Pauker, zijn dagboekschrijfster Maria Svanidze(zijn eerste vrouw heette Kato Svanidze).

Hij gaf hun de raad om Russische pseudoniemen te nemen, want hij had “Mein Kampf” gelezen en hij wou Hitler niet op stang jagen(Montefiore).

In 1905 ontmoette hij Lenin voor het eerst, in Finland en in 1912 een tweede keer, in Krakau.

Lenin was ook een schuilnaam, nl. voor Vladimir Ilich Oelyanov(1870-1924).

Stalin kreeg de leiding van de partij in Georgië en mocht naar congressen in Stockholm (1906) en Londen (1907). Hoe hij zich overal behielp zonder talenkennis, is niet duidelijk.

In 1908 werd hij opnieuw gevangen genomen en naar Siberië gestuurd, maar in 1909 was hij al terug in Bakoe en Tiflis om daar onrust te stoken.

In 1910 volgde de derde arrestatie en verbanning naar Siberië, waar hij tijdelijk een andere vrouw leerde kennen, Maria Koezakova, bij wie hij een zoon had. In 1911 ontsnapte hij alweer.

In 1912 werd hij lid van het centraal comité van de partij en naaste medewerker van Lenin. Maar deze kon hij enkel in het buitenland ontmoeten.

In 1912 of 1913 maakte Lenin vanuit het buitenland hem lid van het Centraal Comité van de bolsjewieken en dus één van zijn naaste medewerkers. Hij schreef een eerste artikel onder de naam “Stalin”, de man van staal.

In 1913 werd hij voor de vierde keer verbannen naar Siberië. In brieven vertelde hij dat het in Koerejka soms min 45° was. En hij smeekte om geld toe te zenden. Hij maakte er ruzie met zijn huisgenoot Sverdlov, ook een verbannen revolutionair.

Deze klaagde in een brief dat "die Georgiër" weigerde mee te helpen in het huishouden.

Daarna trok Stalin in bij het gezin Peregrygin, dat bestond uit 5 broers en 2 zussen, allen weeskinderen. Hij had daar opnieuw een verhouding, nu als 35-jarige met Lidia Pereprygina, een meisje van 14 jaar, bij wie hij mogelijk ook een kind

kreeg(p. 50).

Verder amuseerde hij zich met op witte zalm vissen en met jagen.

De auteur onderbreekt zijn verhaal dan (weer) door ineens te vertellen over de beveiliging van Stalin in de jaren ’30-’50. 408 mannen beschermden hem, in ploegendienst. Die agenten verdienden in 1951 ruim 5300 roebel per maand, d.w.z; 8 keer het gemiddelde loon van 660 roebel en 60 keer zoveel als een boer (90 roebel, p. 55). Veel van dat geld ging naar drank en vrouwen. Stalin wist dat, maar vond het niet erg, want dan werden ze loslippiger.

De schrijver geeft hier ook cijfers van de terreur en van de dood door uithongering (57-58), maar een precies getal van de vele miljoenen geeft hij niet.

In hoofdstuk 2 keert hij terug naar Stalin, maar dan ineens naar het jaar 1917.

Over 1914-1916 en de vijfde verbanning lezen we niets.

De februari-revolutie van 1917 en het aftreden van de tsaar gebeurden zonder Lenin, die in Zwitserland zat en zonder Stalin, die in Siberië zat.

De socialisten van Kerenski kwamen aan de macht van een parlementaire republiek.

Stalin keerde terug uit Siberië, Lenin met Duitse hulp uit Zwitserland.

Stalin trok naar Petrograd, het latere Leningrad, waar hij samen met Kamenev hoofdredacteur werd van de partijkrant Pravda.

Lenin wou de voorlopige regering omverwerpen en zelf aan de macht komen. Dat lukte, mogelijk ook omdat hij de bevolking “vrede, brood en grond” beloofde, een belofte die slechts gedeeltelijk vervuld werd.

In maart 1918 sloten Lenin en Trotski, onder druk van de snel oprukkende Duitse troepen, een vernederend vredesverdrag met Duitsland, in de Wit-Russische stad Brest-Litovsk.

Chlevnjoek vertelt hier niet dat Rusland toen veel gebieden verloor: een deel van Polen, Estland, Letland, Litouwen, Finland, tijdelijk ook Oekraïne en dat het dan ook nog eens een schadevergoeding moest betalen.

Maar in 1939-1940 heroverde het die gebieden.

De auteur spreekt wel over de troonsafstand van de tsaar Nicolaas II(p.62), maar vreemd genoeg niet over de moord op de tsaar en heel zijn familie, in juli 1918, in Jekaterinenburg, in de Oeral, door huurlingen. Hij zegt dus ook niets over de verantwoordelijkheid van Lenin en Stalin daarbij.

Dit laatste werd al in 1993 met archiefdocumenten duidelijk aangetoond door de Oostenrijkse historica en Slaviste Elisabeth Heresch in haar schitterend boek "Verraad, lafheid en bedrog. Leven en dood van de laatste tsaar".

Bij die huurlingen was ook Imre Nagy, in 1956 de held van de Hongaarse revolutie, die in 1990 een standbeeld kreeg nabij het parlement in Boedapest.

Die moord gebeurde tijdens de bloedige Burgeroorlog, die duurde van 1918 tot 1921 en die uiteindelijk gewonnen werd door de Roden.

Chlevnjoek zegt wel dat van de 16 miljoen doden tussen 1914 en 1922, er meer vielen tijdens de wrede Burgeroorlog en de hongersnood van 1921-1922 dan in de strijd tegen de Duitsers(75-76).

In 1920 probeerde het Rode Leger, o.l.v. zijn briljante veldheer Toechatsjevski (1893-1937), ook Polen te heroveren en dan door te stoten naar Berlijn, maar dit plan mislukte compleet.

Toechatsjevski was afkomstig van Poolse adel. In 1915 was hij door de Duitsers een tijdje krijgsgevangen genomen, samen met De Gaulle, met wie hij vloeiend Frans sprak.

De auteur wijt de nederlaag van 1920 aan de militaire onbekwaamheid van Stalin, die daarna ontslag nam uit zijn militaire functies ten voordele van Trotski(84).

Toechatsjevski had Stalin ook zijn fouten verweten. Het kwam nooit meer goed tussen die twee. Stalin nam wraak in 1937 en liet zijn rivaal doodschieten. Gorbatsjov rehabiliteerde hem.

Na de Burgeroorlog braken hongersnood en opstanden van boeren en matrozen uit.

Lenin liet zijn principes even varen en liet met zijn N.E.P. (Nieuwe Economische Politiek) tijdelijk weer wat marktmechanisme toe.

Vanaf 1921 werd hij ziek : aderverkalking in de hersenen, hoofdpijn, tijdelijke verlamming, beperkt spraakvermogen. De auteur vermeldt niets van de syfilis die hij tijdens zijn ballingschap zou opgelopen hebben in de Italiaanse havenstad Genua.

Later zouden Beria en Mao trouwens dezelfde kwaal oplopen.

Stalin maakte gebruik van de ziekte om meer macht in de partij naar zich toe te halen, ten nadele van Trotski.

Behalve met de opvolging, was hij ook bezig met alle republieken zoals Oekraïne, Wit-Rusland, Georgië, Azerbeidzjan, Armenië te verenigen in één Russische Federatie. Het is niet duidelijk of dit spontaan of onder druk gebeurde.

Naarmate het einde naderde, toonden Lenin en zijn vrouw, met wie Stalin geregeld ruzie had gemaakt, een duidelijke voorkeur voor Trotski als opvolger. Lenin liet in de periode van december 1922 tot maart 1923 meermaals zijn ongerustheid horen over de enorme macht die secretaris-generaal Stalin verworven had, zelfs in het leger, het domein van Trotski en over zijn grof en onbehouwen gedrag tegenover Kroepskaja.

Maar op het partijcongres van maart 1923 was Lenin zo verzwakt door drie beroertes dat hij niet meer kon spreken.

In januari 1924 stierf Lenin. Hij was slechts 54 jaar oud.

Stalin mocht de lijkrede houden. Ondanks het "politiek testament" van Lenin, werd Stalin op het partijcongres van mei 1924 herkozen als secretaris-generaal. Toch ging de strijd om de macht nog drie jaar verder.

En het ging vooral om de macht, meer dan om de tegenstelling tussen Stalins “socialisme in één land” en Trotski’s wereldrevolutie.

In januari 1925 werd Trotski, een Oekraïense jood met eigenlijke naam Lev Bronstein, verwijderd van zijn post van Volkscommissaris voor Militaire Zaken ofwel minister van defensie.

In oktober 1927 werden hij en Zinovjev uit het Centraal Comité van de partij gezet. Toen hij het woord wou nemen, kreeg hij een boek en een glas naar zijn hoofd geslingerd(111).

In november 1927 werd hij weggestuurd naar Kazachstan en in 1929 het land uit gezet.

Al wie ook maar even de kant van Trotski had gekozen, werd in de jaren '30 tijdens de Terreur vermoord.

Trotski zelf werd overal achtervolgd door NKVD-agent Soedoplatov en uiteindelijk in augustus 1940 in Mexico op vreselijke wijze vermoord door Soedoplatovs medewerker, Ramon Mercader, zoals Soedoplatov beschrijft in zijn memoires. Hij zou doormidden gekliefd zijn met een bijl of een ijsspiets.

Trotski's medewerkers Rykov en Boecharin werden in 1938 tijdens de grote terreur geëxecuteerd. En andere Trotskisten werden afgemaakt in Spanje, tijdens de Burgeroorlog.

Net zoals bij de Franse Revolutie, waarvan de bolsjewieken de geschiedenis goed kenden, begon ook de Russische vanaf 1927 haar eigen kinderen op te eten (112).

Het is niet duidelijk of Stalin in 1927/28 de zuiveringen van 1935-39 al voor ogen had.

Stalin was dus in feite al aan de macht in 1922 en dat tot 1953, 31 jaar lang.

Hij was bijzonder intelligent, hij had een enorm geheugen, was sluw, ziekelijk wantrouwig, een meester in intriges. Eens aan de macht, werkte hij 16 uur per dag. En hij wist alles van zijn medewerkers en van zijn tegenstanders, zeker hun zwakke kanten.

Hij creëerde het Stalinisme: alle macht bij één persoon, persoonsverheerlijking

(al in 1925 veranderde hij de naam Tsaritsyn in Stalingrad), klassenstrijd tegen adel, grondbezitters, boeren, die zowel hij als Lenin beschouwden als contrarevolutionaire krachten, uitschakeling van tegenstanders en van de markteconomie, socialisme in één land i.p.v. wereldrevolutie zoals Marx, Lenin en Trotski wensten, voorkeur voor de zware en militaire industrie, onderwijs en cultuur in dienst van de totalitaire staat en de wereldmacht, dictatuur van het proletariaat, waarvan hij zichzelf de verpersoonlijking zag.

Hij industrialiseerde de SU met 5-jaren-plannen.

Dit ging ten koste van de landbouw, die hij collectiviseerde. Boeren die zich verzetten, werden ongenadig afgemaakt, met vele miljoenen, zeker in Oekraïne.

Tegenstanders werden ongenadig uitgezuiverd.

De mensen leefden in permanente angst voor de terreur. Zie boek van Figes (3) en vooral van Loegovskaja(4), over de jaren 1932-1937.

De Goelagarchipel, die al bestond tijdens Lenin, werd enorm uitgebreid met miljoenen bannelingen, 28 miljoen volgens Montefiore, die daar in onmenselijke omstandigheden aan het werk werden gezet en soms nieuwe steden uit de grond moesten stampen zoals Magnitogorsk. Bij de bouw van deze stad stierven 20.000 mensen(Montefiore).

En de bewaking was nu heel streng, totaal anders dan in de tsarentijd.

Zie boek van Anne Appelbaum(5).

De auteur maakt dan weer een zijsprong, naar het leesgedrag van Stalin. Hij las soms “500 p. per dag”, wat me iets te veel lijkt.

Hij kreeg veel brieven. Daarvan werd door medewerkers een selectie gemaakt.

Hij las ook veel boeken, liet nieuwe geschiedenisboeken schrijven en films maken, o.a. over zijn idolen Ivan de Verschrikkelijke en Peter de Grote.

De vele theoretische boeken die hij zelf schreef, werden in miljoenen exemplaren en in meerdere talen gedrukt, maar na zijn dood vermalen tot papierpulp(129).

Zijn talenkennis was beperkt tot Georgisch en Russisch. Hij had interesse voor Duits, Frans en Engels, maar daar bleef het bij.

Tussen p. 128 en 129 staan de enige foto's: 16 pagina's, o.a. van zijn tweede vrouw en van zijn kinderen uit beide huwelijken.

Vanaf 1928 begint Stalin zijn politiestaat en zijn ideologisch gefundeerde en genadeloze klassenstrijd tegen de boeren. Tot 1953 werd hun graan opgeëist, de staat gaf er bewust veel te lage prijzen voor, ze werden echt uitgeperst, zeker in Oekraïne en in Siberië. Enkele medewerkers zoals Boecharin en Rykov vonden dat hij te ver ging in zijn afpersing en mishandeling van de koelakken. Boecharin en Rykov werden gestraft voor hun kritiek : in 1929-1930 werden zij uit het partijbureau gezet en in 1938 geëxecuteerd.

De "Grote Sprong" van de industrialisatie werd in 1929 ingezet met de import van enorme hoeveelheden machines en hele fabrieken uit het Westen, dat te lijden had onder de Grote Depressie en daardoor bereid was tot export naar de communistische SU.

De auteur zegt er niet bij welke landen naar Rusland exporteerden: dat waren wellicht Duitsland en de VSA.

Engeland, Frankrijk en België waren boos omdat Lenin de leningen die zij verstrekt hadden voor de eerste industrialisatie tijdens de tsaren, weigerde terug te betalen.

En die leningen zijn nog altijd niet terugbetaald.

Met Duitsland had de SU op 16 april 1922 in Rapallo een geheim economisch, militair en technisch verdrag gesloten, waarbij de Weimarrepubliek in het geheim opnieuw een leger mocht opbouwen op Sovjetgebied, in ruil voor technische hulp.

In Lipetsk b.v., 400 km ten zuiden van Moskou, testte het leger van de Weimarrepubliek, de Reichswehr, eind jaren ’20 Fokker D.XIII-vliegtuigen en wapensystemen en leidde er in het geheim piloten op.

En de handel met de VSA verliep via Armand Hammer(1898-1990), zoon van uit Odessa gevluchte Russische joden. Hij was persoonlijk bevriend met Lenin en al zijn opvolgers tot Gorbatsjov, ook tijdens de Koude Oorlog, hij kreeg de Leninorde, had een huis in Moskou dat fungeerde als officieuze ambassade van de VSA en mocht met zijn privévliegtuig altijd landen in Moskou. Hij liet zijn import deels betalen met kunstwerken, waarmee hij in Los Angeles een privémuseum bouwde. Hij had ook een oliefirma: Occidental Petroleum.

Chlevnjoek zwijgt braafjes zowel over de leningen als over Rapallo en Hammer.

Met Westerse hulp werden dus grote staal-, auto-,tractoren- en chemische fabrieken gebouwd.

De boeren daarentegen werden vanaf 1928 volledig onteigend en verplicht op collectieve boerderijen te werken als arbeiders.

Koelakken die protesteerden, vooral in Oekraïne, werden massaal verbannen naar Siberië of doodgeschoten, hun vrouwen werden genadeloos verkracht(143-144), geestelijken die hen steunden werden gearresteerd door jongeren van de komsomol(communistische jeugd), die ook geen enkel respect toonden voor de kerkgebouwen en ze sloten. Ook hiertegen protesteerde de landelijke bevolking, die zeer gelovig was.

Stalin kantte zich toen tegen een stukje privégrond voor de boeren : dat kwam er pas in 1933 toen duidelijk was dat de landbouwhervorming een grote catastrofe was geworden. De opbrengst van de boerderijen moest bijna volledig naar de industrie en naar bewapening gaan.

De gedwongen collectivisatie verliep snel en met veel geweld: tussen oktober 1929 en februari 1930 steeg het percentage gemeenschappelijke grond

van 7 naar 53 % !

In Oekraïne greep zelfs het leger keihard in, met geweren en kanonnen.

Tussen 1929 en 1933 werden honderdduizenden koelakken doodgeschoten en miljoenen verbannen naar Siberië, waar ze grotendeels stierven door uithongering.

De landbouw en de veeteelt zakten in elkaar: tussen 1929 en 1933 daalde het aantal paarden van 32 naar 17 miljoen, de runderen van 60 naar 33 en de varkens van 22 naar 10.

Stalins "Grote Sprong" was enkel van toepassing op Stalins Hongersnood : alleen al in de winter van 1932-33 stierven 5 à 7 miljoen, volgens Montefiore wel tien miljoen mensen van honger, vooral in Oekraïne en in de noordelijke Kaukasus. Het was de ergste hongersnood uit de geschiedenis.

En miljoenen raakten invalide door ondervoeding. Tyfus trof heel het land.

Toch moesten de uitgehongerde boeren al hun voedsel afgeven en ze werden gemarteld om te zeggen waar ze nog een voorraadje hadden.

Boeren aten honden, paarden, rotte aardappelen, boomschors(Montefoire, p.93). Kannibalisme was wijdverbreid, moeders aten hun eigen kinderen op, zoals blijkt uit recent ontdekte rapporten van de geheime dienst(Chl.,p.153).

In de zomer van 1932 bezocht de Amerikaan Fred Beal, een soort fellow traveller, een aantal dorpen in Oekraïne waar enkel nog lijken lagen, vaak met een laatste briefje dat ze gestorven waren van honger. De ratten hadden er de macht overgenomen(Montefiore,94).

Toen het Oekraïens Politbureau om voedselhulp vroeg, gaf Stalin henzelf de schuld.

De elite was goed op de hoogte van deze situatie : wanneer ze met de trein naar hun vakantieoord Sotsji aan de Zwarte Zee reden, zagen ze de stapels lijken liggen. De kinderen moesten daar de gordijnen dicht trekken.

Stalin vertelde later aan Churchill dat dit de moeilijkste tijd uit zijn leven was geweest, zwaarder dan de invasie van Hitler : "hij had tien miljoen mensen moeten vernietigen" (Montefiore, 100). Uiteraard allemaal door de schuld van de "saboterende boeren en vijanden" (Chlevnjoek, 151-153).

Montefiore schrijft (95) : het dodental was misschien wel tien miljoen, ongeëvenaard in de geschiedenis van de mensheid, tenzij door de nazi’s en door Mao.

En dat allemaal om meer geld te incasseren voor hoogovens en tractoren.

In 1933, bij het tweede vijfjarenplan, deed Stalin een kleine toegeving: de boeren moesten voortaan vaste quota afgeven en mochten de overschotjes houden.

En ze mochten ook een klein stukje grond voor zichzelf bebouwen.

Deze kleine stukjes waren vier jaar later al goed voor 38% van alle groenten en aardappelen en voor 68 % van alle vlees en zuivel(156).

Op 1 december 1934 werd Kirov, de partijbaas van Leningrad, vermoord door Leonid Nikolajev, een werkloos en labiel partijlid. Volgens Montefiore was Stalin de opdrachtgever, maar Chlevnjoek zegt dat daar zijn geen bewijzen voor zijn gevonden.

Dit was het begin van een beperkte terreur, vooral in Leningrad, die zijn hoogtepunt bereikte in 1937-1938.

In april 1935 deed Stalin, op vraag van zijn 9-jarig dochtertje Svetlana, een eenmalige rit met de nieuwe metro, samen met zijn familie.

De massa juichte overal waar ze hem zagen. De extreme beveiliging was dus niet nodig in Moskou zelf.

Toch bleef Stalin wantrouwig, zeker tegenover oude partijleden en generaals die nog gediend hadden onder Trotski, de oprichter van het Rode Leger.

In augustus 1936 begon een eerste showproces tegen o.a. de joden Kamenev en Zinovjev.

Eerst werden ze gemarteld, dan beschuldigd van sabotage en spionage, ten slotte ter dood veroordeeld.

De heksenjacht tegen leden van de bevoorrechte nomenklatoera nam hysterische vormen aan.

In 1937-1938 volgden de grootste zuiveringen met nieuwe showprocessen, weer met martelingen, o.a. tegen Boecharin en Rykov, Toechatsjevski en andere generaals, daarna ook tegen gewone mensen. Zie ook de studies van Karl Schlögel en Robert Conquest(6).

5 van de 15 leden van het Politbureau, 98 van de 139 van het Centraal Comité, 1108 van de 1966 afgevaardigden van het partijcongres, ruim de helft van de legertop, ruim 40.000 officieren, in totaal ca. 400.000 bekwame mensen werden geëxecuteerd (Montefiore).

Toen Toechatsjevski geëxecuteerd werd, kregen de scholen het bevel zijn foto te verwijderen uit de schoolboeken of er een blad over te plakken(Figes, 311-312).

Ook Stalins militaire adviseurs in de Spaanse Burgeroorlog stierven bij hun terugkeer in de executiekelders van de NKVD (Schlögel, 140).

Oude medewerkers werden vervangen door dertigers, die gewillig uitvoerden wat Stalin eiste.

In 1937 gaf hij aan de districtshoofden zelfs de aantallen mensen die ze moesten doden.

Het relaas over de terreur wordt alweer onderbroken door een nieuwe zijstap naar 2 maart 1953, de beroerte en nakende dood van Stalin zelf en de angst van zijn medewerkers om bij hem te komen en om medische hulp in te roepen.

Volgens de artsen die nadien de autopsie uitvoerden, zou snel medisch ingrijpen toch niet gebaat hebben, omdat de beroerte een gevolg was van jarenlange aderverkalking.

Hier volgt ook een uitweiding over Stalins werklust tot diep in de nacht en zijn eis dat zijn medewerkers hetzelfde deden.

Die medewerkers en de andere leden van de nomenklatoera leefden in alle comfort, ze hadden speciale winkels met alle luxegoederen, waar de rode proletariërs niet welkom waren. Hun salarissen en bijkomende “enveloppen” (“pakets”) bedroegen honderdduizenden roebels, vele duizenden keren dat van de gewone mensen, die in kleine flatjes (kommoenolka's) woonden, met gemeenschappelijke keuken, badkamer etc. (183).

Alleen Stalin besliste wie tot deze klasse mocht toetreden.

Na dit zoveelste intermezzo vervolgt de auteur zijn verslag over de Grote Terreur, een naam die hij ontleent aan Robert Conquest(6).

In de archieven vond hij documenten die bewijzen dat het Politbureau alle operaties en quota per regio goedkeurde.

De regionale uitvoerders lieten vaak nog meer "volksvijanden" doden, met goedkeuring van Moskou.

Koelakken die de kampen overleefd hadden, moesten eerst dood.

Dan volgden etnische Polen, Duitsers, Roemenen, Balten en andere nationaliteiten, die in het verre verleden ingeweken waren. Ze waren zogezegd "vatbaar voor rekrutering door het buitenland".

In 1937-1938 werden 1,6 miljoen mensen gearresteerd. 0,7 miljoen mensen werden doodgeschoten, een groot aantal doodgemarteld in de kelders van de geheime dienst.

De archieven tonen duidelijk aan dat Stalin persoonlijk de opdrachtgever en toezichthouder was, hoewel hij de schuld aan Jezjov gaf. Zijn aantekeningen bij de verslagen zijn bewaard en worden hier geciteerd (188).

Een paar voorbeelden : "Kameraad Jezjov, Heel goed ! Ruim dat Poolse spionnengebroed op" of : "U moet niet natrekken, u moet arresteren".

Jezjov genoot van de nachtelijke martelingen in de Loebjankagevangenis, deed er zelf actief aan mee en kwam dan ’s anderendaags bij Stalin verslag uitbrengen met bloedspatten op zijn hemdsmouwen.

De auteur vermeldt niet dat verklikkers beloond werden : dat was al zo met Pavlik Morozov in 1931-1932, die zijn vader verklikte en gedurende de jaren '30 een hele cultus kreeg in verhalen, films, gedichten, toneel en helaas ook nagevolgd werd door andere jongeren, die ook vertelden dat hun vader kritiek had geuit op Stalin(Figes, p. 134-141). Tot 1990 waren er in de SU en in heel Oost-Europa mensen die als bijverdienste hadden : anderen in ’t oog houden en verklikken.

De terreur viel samen met groeiende internationale spanningen en permanente angst voor een inval van Japan in het oosten of Duitsland in het westen.

Er “moest” dus wel gezuiverd worden, om klaar te staan voor een nieuwe oorlog.

Stalin mengde zich actief in de Spaanse burgeroorlog en was ervan overtuigd dat zijn republikeinse vrienden verraden waren door een "vijfde colonne", d.w.z. door saboteurs in eigen kring. In feite waren ze niet opgewassen tegen Franco, die het leger aan zijn zijde had en geholpen werd door Hitler, Mussolini e.a.

Stalin raadde de republikeinen aan om een repressie door te voeren in eigen gelederen (191-193).

De auteur vermeldt er niet bij dat Stalin de goudvoorraad van Spanje naar Rusland liet overbrengen en na de burgeroorlog nooit meer teruggaf.

In augustus 1938 benoemde Stalin Beria tot opvolger van Jezjov.

Deze had zijn klus geklaard en werd doodgeschoten. In de ogen van het volk was Jezjov nu de dader van de Terreur.

Beria was een Georgië(eigenlijk Abchaziër), had een tijdje in de Georgische nationale voetbalploeg gespeeld, hij was intelligent, wreed, sadistisch, martelde graag zelf.

Hij had heel veel succes bij de vrouwen, maar kreeg in 1943 wel syfilis (Montefiore). Vrouwen of meisjes die niet deden wat hij vroeg, ondergingen een zwaar lot. Macht, terreur en seks waren zijn drie sleutelwoorden. Hij en zijn vrouw leefden op veel grotere voet dan Stalin.

Dank zij de Terreur had Stalin zijn macht uitgebreid tot een ongekend hoogtepunt, hij cumuleerde de functies van partij- en regeringsleider, er was geen collectief leiderschap meer en het Politbureau deed gewillig wat hij vroeg.

Op zijn eentje benoemde hij nieuwe leden : Zjdanov en Chroesjtsjov in 1939, Malenkov e.a. in 1941 en speelde ze tegen elkaar uit. Molotov leek de nummer 2, maar geregeld werd hij door Stalin gekleineerd.

Ook na de Terreur, bleef de repressie voortduren tot Stalins dood.

Stalin besefte ten volle de verwoestende gevolgen voor de SU, maar gaf ze nooit toe(199). De Terreur veroorzaakte namelijk een forse daling in de industrie en het leger was meer dan de helft van zijn bekwame generaals kwijt.

De partij kreeg miljoenen klaagbrieven en smeekschriften, maar Stalin toonde geen medelijden.

Hij besefte ook dat de reputatie van de SU in het buitenland geschaad was. Westerse leiders verkozen Hitler boven Stalin, zoals het Verdrag van München (sept. 1938) aantoonde.

In maart 1939 beschuldigde Stalin Engeland en Frankrijk dat ze de SU en Duitsland tegen elkaar wilden opstoken(202).

In augustus 1939 sloot Stalin met Hitler het Molotov-von Ribbentrop-pact, waardoor hij de oorlog uitstelde en de helft van Polen en de Baltische staten kon heroveren.

Volgens Chlevnjoek nam niet Stalin, maar Hitler het initiatief(204).

Vreemd, want Stalin was ervan overtuigd dat Hitler na de verovering van Tsjecho-Slowakije verder naar het oosten zou oprukken, hij besefte ook dat Duitsland toen het sterkste leger ter wereld had (208), dat zijn leger door de zuiveringen niet klaar was voor de confrontatie en dat er ook nog gevaar uitging van Japan in het oosten.

Op 23 augustus 1939 werd Von Ribbentrop hartelijk ontvangen door Stalin en Molotov en werd het pact in Moskou ondertekend.

Stalin drong wel aan op de geheime bijlage over de onderlinge verdeling van Polen en over de herovering van de Baltische staatjes en Finland door Moskou, waardoor het verdrag van Brest-Litovsk uit 1918 geannuleerd werd(204-205).

Toen na de oorlog kopieën van die geheime clausule bekend raakten, beweerden de Sovjets veertig jaar lang dat het vervalsingen waren.

Door het pact, voelde Stalin zich veilig en stond hij ook sterker tegenover Duitslands bondgenoot Japan, waarmee hij een conflict had in het oosten.

Op 1 september 1939 viel Hitler binnen in Polen. Engeland en Frankrijk boden nauwelijks hulp. Stalin viel op 17 september binnen en beweerde dat hij de westelijke Oekraïne en Wit-Rusland kwam "bevrijden van de Polen".

In praktijk werden ook in die gebieden het kapitalisme meteen afgeschaft, alle privébezit onteigend en alle "verdachte personen" gedood of verbannen.

De massamoord in Katyn op 21.857 mensen uit de Poolse elite op 5 maart 1940 was het krachtigste middel om alle verzet te breken.

Het Rode Leger had i