Stalin. De jeugdjaren.

Over Stalin bestaan al genoeg degelijke biografieën, o.a. van Robert Conquest, Robert Service en

Oleg Chlevnjoek. Maar die gaan niet specifiek over zijn jeugdjaren (1878-1917). Daar is weinig over

gepubliceerd, omdat er lange tijd beperkt materiaal beschikbaar was. Er zijn slechts drie serieuze

boeken over: van Robert Tucker, Edward Ellis Smith en Aleksandr Ostrovski. Sinds de openstelling van

de archieven van Georgië, van andere Kaukasus-landen en van de vroegere Sovjet-Unie, is er veel

informatie beschikbaar.

Dit boek is het resultaat van 10 jaar onderzoek in archieven van 23 steden en 9 landen plus van vele

interviews met getuigen of kinderen van getuigen.

In zijn vorig boek (‘Stalin. Het hof van de rode tsaar’, 2004) besprak Montefiore(°1965) de periode

waarin Stalin aan de macht was (1917/1924-1953). Het kreeg verschillende prijzen, net zoals ook dit

boek.

Het begint met een spannende proloog: Stalins eerste bomaanslag op een geldkoets in Tiflis/Tbilisi in

1907. Er vielen 40 doden en vele gewonden. Het was het begin van een lange reeks dodelijke

overvallen op koetsen en schepen.

Dan komt de trouw van zijn ouders in 1872. Zijn (vermoedelijke) vader had een bloeiend

schoenenatelier, maar dronk zich arm, werd gewelddadig en liet zijn vrouw en zoon in de miserie

achter. Dank zij een priester kon Stalin, toen nog Jozef Dzjoegasjvili, studeren. Hij was de beste

leerling. Op zijn zestiende ging hij in 1894 naar het seminarie van Tiflis, waar 600 toekomstige

priesters opgeleid werden. Hij was er intern. Aanvankelijk waren zijn cijfers goed, maar vanaf 1896

werden ze steeds slechter. Dertien keer werd hij betrapt op het lezen van verboden boeken en in

1898 werd hij lid van de RSDAP: de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, de latere

bolsjewieken. In mei 1899 werd de rebel weggestuurd.

Hij werkte in 1901 drie maanden als weerman en organiseerde stakingen. Daarna werkte hij nooit

meer en leefde hij op kosten van anderen (p. 107). In 1902 liet hij de olieraffinaderij van de Frans-

Joodse Rothschilds in brand steken en fabrieksdirecteuren doodschieten. Hij belandde in de

gevangenis. In 1903 werd hij een eerste keer verbannen naar Siberië. Tussen 1881 en 1904 werden

op 23 jaar slechts 11.879 mensen verbannen naar Siberië. Tussen 1906 en 1909 waren dat er 32.000,

van wie er 18.000 ontsnapten. Tijdens Stalin waren ze met 28 miljoen, van wie miljoenen omkwamen

in de goelag of door te zware dwangarbeid.

Tijdens de tsaren kwamen ze terecht in gastgezinnen en kregen ze zakgeld. Stalin kon er lezen, vissen

en jagen. De ballingen sliepen vaak in dezelfde kamer als de lokale meisjes, bij wie Stalin altijd succes

had. Lenin reisde zelfs in eerste klas naar Siberië, las er 250 kilo boeken en had er een meid in dienst.

Trotski zei dat hij er leefde zoals de goden op de Olympus (p.137). Lenin was van adel en leefde van

de inkomsten van zijn landgoederen. Zijn Joodse afkomst bleef in Rusland geheim tot in de jaren ’90

(p. 170-171).

In januari 1904 ontsnapte Stalin al uit Siberië. Bloedige Zondag (9 januari 1905) maakte hij mee van

op afstand. In februari van dat jaar werden velen vermoord: Armeniërs door Azeri’s en daarna

omgekeerd: er lagen minstens 2.000 doden in Bakoe, waar Stalin toen was en rijke Armeniërs

afperste. En in Odessa vonden dodelijke pogroms op Joden plaats. Bovendien werden 3.600

ambtenaren gedood of verwond. Tegelijk moest de tsaar een vernederende vrede tekenen met

Japan, dat zijn leger en vloot vernietigd had (p. 163).

Op 17 oktober 1905 stemde hij in met een grondwet, een parlement en vrije pers (p. 166).

Op 25 december 1905 ontmoette Stalin voor het eerst Lenin in Tampere (Finland). Op die plaats is nu

het Leninmuseum gevestigd, dat zich op zijn site ‘The Birthplace of the Soviet Union’ noemt. In april

1906 ontmoette hij Lenin opnieuw op een congres in Stockholm en voor het eerst Feliks Dzerzjinski,

ook ex-seminarist en later hoofd van de gevreesde Tsjeka (Geheime Dienst). Verder ook collega’s die

hij in 1936-38 genadeloos liquideerde: Rykov en de Joden Zinovjev en Kamenev (p. 183).


2

Op 15-16 juli 1906 trouwde Stalin met Kato Svanidze. Dat was kerkelijk, op vraag van Kato. Negen

maanden later werd Jakov geboren. In mei 1907 leerde Stalin zijn concurrent Trotski kennen in

Londen.

Het revolutionaire klimaat bleef toenemen: in 1905 waren er 86.000 politieke gevangenen, in 1909

het dubbele: 170.000 (p. 205). In 1907 week Stalin uit naar Bakoe, de oliestad van de families Nobel

en Rotschild. Bakoe produceerde toen de helft van de wereldolie en de Nobelprijzen werden betaald

met oliewinst. Maar de 48.000 arbeiders hadden een levensverwachting van 30 jaar (p. 213-216).

In november 1907 stierf Kato op amper 22 jaar, wellicht aan tyfus. Ze was net als haar zoontje door

Stalin verwaarloosd, zoals ook Trotski zijn vrouw en zijn twee dochters verwaarloosde. In 1932, bij de

zelfmoord van zijn tweede vrouw (Nadja), zei Stalin dat hij ook haar had verwaarloosd. Zijn zoontje

Jakov dumpte hij bij de moeder van Kato.

In 1908 reisde hij naar Zwitserland om Lenin te bezoeken. Die had geregeld geld nodig en Stalin

bezorgde hem dat door overvallen, ontvoeringen en door afpersing van de Rotschilds en andere

kapitalisten. In 1920 verloren die alles: het Rode Leger veroverde Bakoe en onteigende de

oliebronnen. De slag om Stalingrad (23 augustus 1942-2 februari 1943) ging trouwens om Bakoe:

Hitler had olie nodig (p. 215-227).

In 1909 werd Stalin nog eens naar Siberië verbannen. Hij had er altijd succes bij de meisjes en

vrouwen en hij wist weer snel te ontsnappen. Tussen 1908 en 1917 was hij maar anderhalf jaar vrij

(p. 235-241).

De auteur suggereert geregeld dat Stalin contacten had bij de tsaristische geheime politie, mogelijk

een tsaristisch agent was, maar hij zegt tegelijk dat er geen bewijzen zijn. Hij gebruikte de

politiemannen wel om zelf inlichtingen te krijgen (p. 241-249).

In september 1911 werd Stolypin, de laatste grote staatsman van Rusland, vermoord in de

schouwburg van Kiev, in aanwezigheid van de tsaar. Stalin ontsnapte in september 1911 weer uit zijn

ballingschap, maar werd kort daarop weer opgepakt en veroordeeld tot drie jaar Vologda. Na alweer

een ontsnapping, werd hij in juli 1912 verbannen naar Narym, waar hij na 38 dagen alweer ontsnapte

(p. 262-278).

In januari 1913 verbleef hij in Wenen, waar hij zijn belangrijkste werk schreef: “Marxisme en het

nationaliteitenvraagstuk”. Op dat moment woonde Hitler ook in Wenen, maar de twee hebben

elkaar nooit ontmoet, ook niet in augustus 1939.

In februari 1913 mocht Stalin nog eens naar Siberië, nu naar het ijskoude Toeroechansk, aan de

Jenesei.

Deze verbanning duurde vier jaar, veel langer dus dan de vorige vijf samen. In het dorp Koerejka

stonden 8 hutten en woonden slechts 67 mensen. Hier maakte hij in 1914 op zijn 36 ste een 13-jarig

meisje, Lidia Pereprygina, zwanger. In december 1914 beviel ze, maar de baby stierf kort daarna. In

1916 werd ze opnieuw zwanger van Stalin en in 1917 kreeg ze een zoontje, Aleksander. De onwettige

kinderen van Stalin moesten in de jaren 30 bij de geheime dienst ondertekenen dat ze altijd zouden

zwijgen over hun afkomst (p. 320-329).

In februari 1917 brak de revolutie los in Petrograd. Op 1 maart werd er een Voorlopige Regering

gevormd en tegelijk een sovjet die even machtig was. Op 2 maart deed Nicolaas II troonsafstand.

Kerenski, minister van justitie, liet de bannelingen terugkeren en de gevangenen vrij. Op 12 maart

arriveerde Stalin in Petrograd als een vrij man (p. 331-332). In heel Rusland waren er toen geen

25.000 bolsjewieken (p. 336). In april kwamen Lenin en co aan in hun trein, in mei Trotski (p. 341-

344). In de zomer van 1917 werd de 16-jarige Nadja Alliloejeva verliefd op de 39-jarige Stalin, die bij

de familie inwoonde (p. 356-357).

Op 25 oktober pleegden de bolsjewieken hun staatsgreep. Kerenski kon ontsnappen in een auto van

de Amerikaanse ambassade. De deuren van het Winterpaleis waren niet eens op slot toen de

revolutionairen er op 26 oktober om 2 u ’s nachts binnendrongen. De ministers gaven zich over en

werden afgevoerd naar de Petrus- en Paulus-vesting. Een bestorming heeft nooit plaatsgevonden,

behalve in de film van Eisenstein (p. 372-374).

De nieuwe meesters begonnen meteen van alles te plunderen in het Winterpaleis, vooral de

wijnkelders van de tsaar en de meisjes van het vrouwenpeloton werden verkracht. De coup was een


3

lachertje, de repressie die volgde niet: op 27 oktober maakte Lenin een einde aan de vrije pers, op 2

november stelde hij de dictatuur in over het proletariaat, op 7 december richtte hij de gevreesde

Tsjeka op. Dan volgden de vuurpelotons. Lenin gaf de bevelen tot schieten, Stalin voerde ze uit.

De auteur vermeldt niet dat Lenin bij de enige vrije verkiezingen slechts 25% haalde, maar toch alle

macht greep. De eerstvolgende verkiezingen vonden pas in 1989 plaats!

In de epiloog mijmert Montefiore over de familie van Stalin, over de zelfmoord van Nadja, over

familieleden en trouwe medewerkers die door Stalin uitgemoord werden tijdens zijn terreur of in

1941 bij de Duitse inval. Hij herhaalt nog eens dat Stalin minstens twee buitenechtelijke kinderen

had: Konstantin Koezakov en Aleksandr Davydov (p. 388-392).

En hij stelt Stalin verantwoordelijk voor de dood van 20 miljoen mensen, van wie 1,5 miljoen tijdens

de Grote Terreur van 1937-1938 (p. 402).

Beoordeling

Montefiore heeft opnieuw een indrukwekkend boek geschreven, met kennis van zaken en veel

archiefonderzoek. Hij kent zowel de Russische als de Georgische en de Joodse geschiedenis, cultuur,

gewoontes en gerechten. Geregeld vermeldt hij dat bepaalde informatie hier voor het eerst

gepubliceerd wordt. Het register is enorm uitgebreid en zeer volledig. Het bevat ook de begrippen en

namen die enkel in de voetnoten voorkomen. Het valt me op dat er voor die tijd al zoveel foto’s van

Stalin waren en ook dat zoveel meisjes en vrouwen verliefd werden op een man die arm was, pover

gekleed, een beetje mank liep en meer in de gevangenis vertoefde dan thuis.

Enkele detail-opmerkingen: dikwijls staat er een datum zonder jaartal: dat moet je dus zelf aanvullen.

De vele Russische woorden staan niet in het Cyrillisch schrift: ook dat mag de lezer zelf doen. Het

boek bevat veel details die er weinig toe doen en citaten die door de auteur verzonnen zijn. Wellicht

is dat om het meer leesbaar te maken.

Wellicht had de auteur wat meer aandacht mogen schenken aan de psychologische ontwikkeling van

Stalin: de klappen die hij thuis kreeg van zijn vader, de druk van zijn moeder om priester te worden,

de druk die er op het seminarie was, waar de Georgische taal streng verboden was, kortom: de

evolutie van verdrukte tot verdrukker. En zijn overgang van seminarist naar communistische leider.

De stamboom op p. 7 dateert van 2007 en verschillende ‘nog levenden’ zijn inmiddels overleden, o.a.

Joeri Zjdanov (1918-2006) en Jozef Morozov (1945-2008).

Soms staat er een drukfout: Prem op p. 9 moet Perm zijn; 34 op p. 310 moet 36 zijn (leeftijd van

Stalin in 1914); nihilistisch op p. 108 moet nihilist zijn; Lenin was 8 jaar ouder dan Stalin, geen ‘30’ (p.

21); Stalins vader overleed in 1910: hij was toen 60, geen ‘55’ (p. 243). Bij de biografen (p. 21)

ontbreekt Oleg Chlevnjoek, maar hij staat wel in het dankwoord (p. 405); op de kaartjes ontbreken

wel wat plaatsnamen: de lezer houdt er best een atlas van Rusland bij.

In verhouding tot zijn omvang en kwaliteit is dit boek een koopje.

Stalin

De jeugdjaren

Simon Sebag Montefiore

Uitgeverij Spectrum, Amsterdam /Lannoo, Tielt, juli 2021

Vertaling van ‘Young Stalin’ (2007)

96 p., stamboom, kaarten, foto’s, noten, register

Paperback, 23 x 15 cm, € 24,99

ISBN 978-90 003-7326-0

©Jef Abbeel december 2021 www.jefabbeel.be

Archief
Zoeken op tags
Categorie